vrijdag 3 juli 2026

Dag 25 – dinsdag 30 juni: La Roche-de-Rame – Villes sur Lauzon (Drôme)

We begonnen toch wat genoeg te krijgen van onze buurman. Elke keer als hij langs onze tent moest keek hij eens goed wat we aan het eten/doen/lezen waren. Hij bleef even staan, alsof hij wat wilde zeggen, aarzelde en liep drie passen verder. Om dan weer terug te lopen, aanstalten makend in gesprek te gaan, en daarna schielijk door te lopen. Op de hoek bedacht hij zich dan, en kwam nog even terug om een opmerking te maken. Die wij nooit verstonden. Soms tikte hij even op een van onze boeken die op tafel lagen, zo van ‘nou nou, dik boek zeg’ (het boek over de zijderoute). Of hij liep terug naar de caravan om de stapel kaarten uit de serie Carte Bleu te laten zien. Hij bedoelde het niet slecht hoor, maar we waren nu toch wel blij dat we vandaag gingen vertrekken.

Op een uurtje of drie rijden hadden we een Chambre d’Hôtes gereserveerd, La Sarrassin. Een gewoon doorsnee hotel was niet voorhanden, en dit zag er wel ok uit. We vertrokken uiteindelijk pas om half twee, nadat we eerst ons gewone ochtendprogramma hadden gevolgd en de periode hier afgesloten met een bak koffie op het terras van onze stamkroeg.

De tocht naar Villes -s-Lauzon was, na de eerste zestig saaie kilometers, een schoolvoorbeeld van wat ons zo aantrekt in Frankrijk. Het landschap wisselde in rap tempo van grote gebieden met kilometers aan fruitteelt, indrukkwekkende kloven als Gorges de Méouges naar eindeloze lavendelvelden, dan bosgebied en daarna de mooie heuvelachtige omgeving rond Sault. Met als klapper de Mont Ventoux. Want daar vlakbij lag ons onderkomen.

We hadden afgesproken er rond 17u te zijn, en precies om 17.08 reden we het plaatsje binnen. Het was intussen zeker 35 graden, als het niet meer was. Op het pleintje bij de kerk zagen we een lavendelblauw geschilderd pand met wat tafeltjes en stoeltjes buiten, dat het midden hield tussen een brocante en een terras van een café. Dat moest het zijn. We konden de auto ertegenover kwijt, en liepen ernaar toe. Uit een hoekje dook een dame op, sigaret in de ene hand en telefoon in de andere, die ons hartelijk verwelkomde. Ze had buiten op ons zitten wachten omdat een zekere Monique, die het eigenlijk beheerde afwezig was. Onze kamer was een paar straatjes, aan de achterkant van het pand. Het was een ontzettend oud gebouw, met stenen trappen en afgesleten treden. Indrukwekkend. Drie van die trappen moesten we op. Het pand behoorde met nog drie andere in de gemeente tot de oudste van de stad.

Onze kamer was aangenaam koel, niet door de dikke muren maar door de airco. Bij constante temperaturen dik boven de 36 graden is dat haast levensreddend. Alles was mediterraan blauw geschilderd, en de kast die los in de kamer stond was ‘oud’ gemaakt door slechts hier en daar een plukje verf achter te laten. Nepantiek, zeg maar. Twee wankele tafeltjes naast het bed maar met goede lampjes erop, ook blauw, completeerden het geheel. Alle vloeren in het pand waren nog voorzien van de kenmerkende oude rode plavuizen, dat was echt prachtig en ook heerlijk koel aan je voeten. Het sanitair niet alleen gloednieuw zo te zien, maar ook blinkend schoon. Extra lange bedden, goede matrassen, niets te klagen. We vroegen waar we wat konden eten, wat er open was vandaag, en de dame kwam meteen met een voorstel: aan de overkant van het plein. Ze bood aan te reserveren, leek ons prima.

Na een late siësta vervoegden we ons bij Bistro Canaille, we hadden wel trek. Het was nog steeds erg warm. Maar daar malen ze hier niet zo om, dus kregen we een tafeltje buiten (niemand zat binnen, daar was het nog warmer). Een fles met anderhalve liter koud water werd vlot voor ons neergezet. De menukaart was niet uitgebreid, enkele salades en enkele vlees/visgerechten. Hoe minder gerechten op de kaart, hoe beter hoorde ik ooit van een collega die lang in de horeca had gewerkt. We namen de faux filet met frites en salade, lekker traditioneel. Niet te veel, precies goed. Naast ons zat een groot mannengezelschap, zeer variërend in leeftijd en nationaliteit. Ik vroeg me af wat dat voor groep zou zijn, en Bert wist het meteen: wielrenners, voor de Mont Ventoux. Ach, natuurlijk. De berg der bergen in Frankrijk.

Aldus gevoed en lichtelijk beneveld, niet door de rosé maar door de hitte, liepen we terug naar de kamer. Tenminste, dat probeerden we. Zoveel straatjes die op elkaar lijken….Een mevrouw zag ons zoeken en vroeg ‘Zoeken jullie La Sarrassin? Ik heb al zoveel mensen de weg moeten wijzen!’ Ja, klopt, dank u wel. Omgeven door het koesterende blauw en het zacht zoemende geluid van de goed ingestelde airco dommelden we weg. Morgenochtend in elk geval geen buurman aan het ontbijt.





Uitzicht uit ons raam


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Wij vinden het leuk als jullie een reactie achterlaten!