maandag 29 juni 2026

Dag 23 – zondag 28 juni: La Roche-de-Rame

Onze buurman, die volgens Bert 100 jaar oud is, is een kaartenfanaat. Dat wil zeggen, hij is gek van wandelkaarten. Al de eerste dag dat wij hier stonden kwam hij aan met een kaart uit de Serie Bleu, onbetwist de beste wandelkaarten van het IGN (Istitute Geographique National), waarop hij ons o.a. de wandelroute in Montgenèvre aanwees. Ook kwam hij direct met een boekwerk over de restanten van de loopgraven in WO II, waarin hij ons liet zien waar we die konden vinden als we met de lift naar boven zouden gaan. Hoewel we hem zeer slecht verstonden, hij spreekt nogal binnensmonds, knikten we vol belangstelling. Bert vroeg of hij beroepsmatig zo geïnteresseerd was, maar hij was elektrotechnisch ingenieur geweest dus het was pure hobby. Elke volgende dag kwam hij opnieuw met zijn verzameling wandelkaarten onder de arm en het boek opengeslagen op dezelfde bladzij. Als ik liet vallen dat er ergens een bergmeer was ging hij onmiddellijk op zoek naar een meertje waar wij heen zouden kunnen lopen. Terwijl dat helemaal niet onze bedoeling was. Als hij zag dat we zelf een routekaart op tafel hadden kwam hij er meteen bij om te vragen of we het wel konden vinden. En dan vertelde hij weer over die loopgraven. Zijn vrouw, we denken ongeveer 40 jaar jonger (dit is een familiegrap), laat hem maar een beetje begaan. Maar hoe dan ook, ze maken wel elke dag stevige bergwandelingen en kennen de omgeving op hun duimpje.

Wij weten hier zo langzamerhand ook de weg wel te vinden. Na elf dagen hebben de meeste routes geen geheimen meer voor ons. Vandaag, zondag, zochten we eigenlijk alleen maar iets uit om in de airco te kunnen zitten, want het was snoeiheet en bovendien erg vochtig. Niet lekker. We besloten maar weer een bekende bergpas te rijden, en dan iets verder dan we eerder gedaan hadden. Alles om koel te blijven nietwaar? Eerst deden we nog een paar boodschappen bij de Intermarché, waar we voor de zoveelste keer getuige waren van de knulligheid bij de kassa. Er werden cheques uitgeschreven (wat is dat ook weer??); iets klopte niet en de manager moest erbij komen, helaas bleek die al te zijn vertrokken; iemand wist zijn pincode niet meer en zocht in al zijn zakken naar contant geld. Gaf niks, we hebben vakantie en dus tijd genoeg, nietwaar? Nou ja, misschien werden we er een kléin beetje iebel van. Of misschien ook wel ietsje meer. Of heel veel meer.

We gooiden de tank nog even vol. We tanken hier SP 98 – E5, beter voor onze motor. In Nederland is het prijsverschil tussen E10 en E5 ongeveer 40ct, hier maximaal 5ct. Dat scheelt nogal.

Hoewel we de route al eerder gereden hadden was het toch weer de moeite waard. Ander licht, ander tijdstip, dat maakt veel uit. Bij het plaatsje Vars zagen we een aardig terras, een goede plek om te lunchen. Een auberge met een kleine kaart. Salades, een burger, iets met kalfsvlees, dat was het wel. In die hitte heb je al haast geen trek, dus namen we allebei een salade met (vegetariërs: met ogen dicht nu even een paar regels naar beneden scrollen!) kippenhartjes, confit de canard, roquefort, walnoten, croûtons met knoflook en nog zo wat andere ingrediënten. We overwogen nog even te delen, maar ach, een salade moet je wel alleen opkunnen, toch? We schrokken ons een hoedje toen de borden gebracht werden. Allemachtig. Wat je noemt een goed gevulde salade. Genoeg voor een heel dorp. Manmoedig begonnen we het beetje bij beetje weg te werken. Toegegeven, het was heerlijk. Maar zóveel…Uiteindelijk zijn we een heel eind gekomen, helemaal op ging het echter niet. Hierna hadden we eigenlijk helemaal geen zin meer om nog verder te rijden. Gewoon maar terug leek ons een beter plan. We probeerden nog een onverharde binnenweg, maar voorzagen problemen als vastlopen in alle troep die met het smeltwater mee van de bergen was gekomen. Toch maar weer de gewone route genomen dus.

Intussen hadden we de beslissing genomen hier overmorgen weg te gaan. De temperaturen zijn zich in Frankrijk aardig aan het herstellen, en we zijn echt toe a an iets nieuws. Het doel is deze keer de Drôme, dat is hier maar een paar uurtjes vandaan. We zijn er vaker geweest maar hebben nu weer een andere plek uitgezocht. Omdat we een beetje meer rekening proberen te houden met de hitte in combinatie met onze leeftijd – ja ja – nemen we de eerste nacht een hotel. Dat geeft ons de ruimte eerst te ontbijten en dan in alle rust de tent af te breken. Als alles weer in de auto te zit kachelen we rustig aan zuidwaarts. Dan een nachtje bijkomen in een kamer met airco, en de dag erop naar de camping rijden om alles weer op ons gemak op te zetten. We leren het wel.

De salade. Hij ziet er hier best
bescheiden uit, maar het bord had een doorsnee van zeker 35 cm

Ze hadden een leuk peper-en-zoutstel gemaakt,
van hele kleine jampotjes


zondag 28 juni 2026

Dag 22 – zaterdag 27 juni: La Roche-de-Rame

Kennen jullie madame Carle? Nee? Nou, wij hebben haar ontmoet vandaag.

De enige vallei die we nog niet verkend hadden hier in de buurt, was die naar Vallouise. Alle andere, zowel door de Queyras als door de Écrins, hadden we nu wel gehad. Deze ontbrak nog, en daar gingen we nu verandering in brengen. Het was een flinke klim, al met al. Gelukkig deed de auto het meeste werk voor ons, we moesten er niet aan denken zelf in deze temperaturen de wandelschoenen aan te trekken. Het eerste stuk vonden we niet heel bijzonder. Vallouise zelf is in de winter een grote trekpleister voor alles wat zich op de lange latten voortbeweegt, maar deed ook nu nog een flinke duit in het zakje als het om wandelaars en klimmers ging. Overal kon je klimmaterialen kopen, complete wandeluitrustingen aanschaffen of gewoon een vergeten tube zonnecrème afrekenen.

Dat waren we allemaal niet van plan, dus reden we door. Tot we opeens een heel groot beeld zagen van een dame op een paard, geheel geconstrueerd uit gekleurde plaatjes hout. Mme Carle, stond erbij. Nu hadden we op de kaart al gezien dat het eindpunt van deze trip ‘le Pré du Mme Carle’ heette, dus werden we wel nieuwsgierig. Onderweg werd het mooier en mooier. In het plaatsje Ailefroide zagen we een camping die ons erg deed denken aan de campgrounds in de Nationale Parken in Amerika. Overal in het bos, ook aan de andere kant van de weg, stonden tentjes, veel kleine en enkele grotere. Af en toe ook een verdwaalde caravan of camper, maar die waren hier ruimschoots in de minderheid. Het oogde allemaal heel ontspannen en gezellig. Als je van pittige wandelingen houdt ben je hier beslist op de goede plek!

Hoe verder we omhoog reden, hoe slechter de weg werd. Er was afgelopen voorjaar heel veel smeltwater naar beneden gekomen en dat had nogal wat rotzooi meegesleurd. Af en toe was er zelfs een stuk weg weggeslagen. Maar stapvoets rijdend kwamen we er goed doorheen. En langzamerhand ontvouwde zich voor onze ogen een berggebied, zo indrukwekkend mooi. Wat voel je je als mens dan nietig. Natuurlijk stapten we regelmatig uit om het in ons op te nemen en wat foto’s te maken. Aan het eind, toen we niet verder konden, waren we aangeland bij de Pré van Mme Carle. En het was echt een grote groene grasvlakte, met hier en daar wat bomen. Overal zaten mensen te picknicken of bij te komen van de zojuist gepleegde inspanningen. Want het waren voornamelijk klimmers (m/v), met grote bundels touwen om hun schouder en hun gordels vol met andere klimmaterialen. Het vormde een bijzonder contrast met de bergen om ons heen. Zo majestueus, zo grimmig, en dan dat lieflijke tafereel in de weide. We keken onze ogen uit, kregen er geen genoeg van. Op een goed moment begonnen we echter wat trek te krijgen, dus daalden we weer af naar de bewoonde wereld.

Bij een bakkertje zochten we twee sandwiches uit, hier bestaande uit een half stokbrood met iets ertussen. De dame achter de toonbank had duidelijk haar dag niet, heel verontwaardigd beet ze me toe ‘ik versta u niet’. Ok, doen we het nog een keer. Met een gezicht als een oorwurm pakte ze onze bestelling in. Buiten zochten we een plekje in de schaduw. De blikjes drinken waren zonder bekertje geleverd, die ging ik dus nog even halen. Hoewel, laat het even maar weg. Voor mij was een meneer aan de beurt die taarten in soorten en maten aan het bestellen was. Het duurde eindeloos en ik kwam er niet tussen. Toen ik dacht dat hij eindelijk klaar was bedacht hij zich, en moesten er nóg zeven gebakjes bij. Hij moest €70 aftikken. Maar dan heb je hier ook wel wat, heel wat anders dan in Nederland waar je nauwelijks meer banketbakkers hebt. Goed, ik zag mijn kans schoon en vroeg m’n bekertjes. ‘Je had wel even tussendoor gemogen hoor’, zei de meneer. Ja, vast.

De sandwiches waren eigenlijk niet te eten. Het brood was zo keihard dat je tanden al afbraken als je ernaar keek. We haalden dus de bovenkant er maar af en aten alleen de onderste helft. Dat ging beter.

Op de weg terug maakten we een ommetje over de Puy St Vincent, maar na al die geweldenaren van bergen stelde dat niet meer zoveel voor. Daarna kochten we nog iets om de pastasaus mee aan te vullen, wisselden de gaspot om (hier €30, in NL €40) en reden naar de tent.

Het was nog steeds warm. De cooling towels die we ooit in Amerika hadden gekocht deden goede dienst. Het is een soort zeem die je kletsnat maakt en om je nek en schouders legt. Het vocht trekt niet in je kleren maar door de verdamping houdt het je urenlang koel. In Nederland worden ze o.a. bij het Kruidvat verkocht, ik denk als seizoensartikel. Vroeger gebruikte we een handdoek die we nat maakten, werkte ook maar dit vinden we veel fijner.

We kookten ons maaltje, en terwijl ik nog even naar de wc ging goot Bert de spaghetti af. Met het deksel schuin op de pan, zoals hij altijd doet. Helaas belandde de pasta in de sloot en Bert vloog erachteraan😄Ach, gewoon nieuwe gemaakt en toen maar het vergiet gebruikt in plaats van de deksel.

Nu is natuurlijk de grote vraag wie die Mme Carle eigenlijk was. Nou, het is een mythe, maar het verhaal gaat dat haar jaloerse echtgenoot haar in de 16e eeuw op de nu gelijknamige wei heeft achtergelaten. Waarna niemand ooit meer van haar gehoord heeft. Behalve wij dan, en nu jullie ook.



Mme Carle


Een andere madame


















De wei waarin de edele dame aan haar lot werd overgelaten.




Dit is de trouwjurk van Mme Carle. Vinden jullie niet?

Dag 21 – vrijdag 26 juli: Le Verger

Jaren geleden, tijdens een training, leerde ik dat je altijd vrij bent je mening te herzien. Dus vandaag ja zeggen tegen iets, kan morgen nee zijn. Is helemaal prima. No for now. Datzelfde geldt voor iets afkeuren, of opeens ergens heel anders tegenaan kijken. Ik heb het altijd onthouden, en dat is denk ik meteen het énige wat ik van al die bijeenkomsten meegekregen heb. Het waren zo vaak tenenkrommende studiedagen, waarbij dure krachten werden ingehuurd om ons, doorgewinterde onderwijsexperts, te vertellen hoe het moest. Iedereen dacht onder het doen van futiele spelletjes – ga allemaal op een rij staan in volgorde van leeftijd – aan alle werkzaamheden die hierdoor bleven liggen. Maar, zoals je zo blij kunt zijn als je vele jaren later van een leerling terughoort wat je voor hem of haar betekent hebt, zo is het ook mooi als je in elk geval íets van al die studiedagen als mantra hebt opgeslagen.

Vanmorgen was het een grote uittocht. Alle Engelse kajakkers vertrokken, hun week hier zat erop. Die van ons nog niet, sterker nog, we staan hier inmiddels al 8 dagen. Dat is meestal wel het maximum op één plek. Deze keer konden we niet anders dan ons laten leiden (of, beter misschien, lijden 😉) door de hoge temperaturen elders nog in Frankrijk. Hier is het nog steeds goed toeven, niet in de laatste plaats door de koele nachten.

Goed, we gingen op weg naar Montgenèvre, naar de téléferique oftewel de skilift. Via Briançon en een weg met vele haarspeldbochten, geflankeerd door wederom schitterende bergen, bereikten we het skigebied. We zagen een vierzitter-stoeltjeslift, en een gondelbaan. Maar, ze hingen stil. Dat was gek, ons was verzekerd dat we naar boven konden. Nader onderzoek leerde dat we een dag te vroeg waren, het zomerseizoen begon pas morgen. Wat nu? We bleven even staan kijken naar iemand die alle gerafelde vlaggen aan het vervangen was. Vooral de Europese vlag had te lijden gehad van de winterse omstandigheden. Was dit een metafoor voor wat ons te wachten stond? Gelukkig hing een paar minuten later een stralend nieuw exemplaar te wapperen in de tropische wind.

Na het fiasco met Briançon liepen we niet over van enthousiasme om die stad nog eens te bezoeken. Maar ik wilde toch uitzoeken hoe je nu binnen de vestingmuren kon komen. In plaats van een informatiepunt te bezoeken gebruikten we onze smartphone, en het bleek verrassend eenvoudig. Dus zetten we opnieuw koers naar deze stad. Onderaan de vesting was een grote parkeerplaats, die weliswaar praktisch stampvol was maar precies voor ons nog één plekje had vrijgelaten. Vermoedelijk omdat het vrij smal was, en niemand het risico wilde nemen, maar achteruitrijden is net als schrijven een soort van hobby voor me en onder de goedkeurende blikken van een stel motorrijders kon ik hem er nét tussen persen. Check.

Een paar dagen geleden zaten we helemaal onderaan in de stad, nu net aan de andere kant en dat was dus de goede. We liepen zo de poort door, waar mensen in middeleeuwse kledij ons verwelkomden. Het bleek een feestweekend te zijn, met allemaal activiteiten. Je kon er een kostuum kopen voor €60, of huren voor het weekend voor €20. Even over nagedacht maar toch maar niet gedaan.😄Het was beslist de moeite waard. Andere oude vestingsteden zijn vaak zo compleet overgenomen door het economische toerisme, daarvan was hier geen sprake. Leuke winkeltjes, een beetje horeca, overal verklede mensen en objecten uit de middeleeuwen. Er stonden twee schandpalen, een formaat kind en een formaat volwassene. Een guillotine. Een galg. Echt een gezellige boel. Je moest wel ontzettend goed uitkijken waar je je voeten neerzette, want van enige egalisatie van de straatjes was geen sprake. Maar we kwamen heelhuids bij de rand, alwaar we enige tijd een tafeltje van Café Panorama bezet hielden. Zo rustig, mooi uitzicht, vlotte bediening. Na het afrekenen moesten we terug de straat in, en opeens zag ik het bord wat ik eerder gemist had: crêpes. Daar hadden we heel veel zin in, dus zochten we een ander tafeltje om een nieuwe bestelling te plaatsen. Het meisje dat ons eerder bediend had was blij verrast en heette ons, in haar mooiste middeleeuwse jurk, opnieuw en met een stralende glimlach welkom. De crêpes werden door de kokkin aan tafel gebracht en smaakten verrukkelijk. Nu konden we er wel weer even tegen. We dwaalden verder door de oude stad, namen er ook nog een ijsje achteraan en verbaasden ons over de vriendelijkheid van de mensen. We zagen ook eigenlijk alleen maar Fransen, op een enkel Duits stel na dat met hun allerschattigste kinderen een ijsje zat te eten op een stoepje. Al met al brachten we er zo’n kleine twee uur door. Daarna reden we terug naar onze stamkroeg in Argentière, waar we de tijd even moesten stukslaan tot de winkels weer opengingen. We haalden merquez en tartare de tomates bij de slager, haricots verts bij de ecologische winkel. ’s Avonds deden we een experiment met de boontjes. Op dat suffe marktje in Briançon, een paar dagen geleden, zagen we iemand in enorme pannen-a-la-paella haricots verts bakken met heul veul knoflook erdoor. Dat leek ons heerlijk. Nu waren onze boontjes iets meer van het type sperzieboon dus iets te dik, maar het smaakte goed. Voor de zekerheid hadden we ook nog een baguette gekocht, om in de jus te dippen, maar dat was veel te veel. Dus hadden de kippen op de camping geluk. Alles wat je over hebt aan eten mag je in een grote ton gooien, en dan geven zij het weer aan de kippen. Bewaren is hier namelijk niet echt een optie. Kippen blij, wij blij.

Ik kom nog even terug op wat ik in het begin schreef. In het blog van woensdag schreef ik dat Briançon ons gestolen kon worden. In het kader van 'no for now' kan ik nu volmondig zeggen: wat een leuke stad. Beslist de moeite waard!




Zie de foto hieronder

Goed kijken, we maakten een foto van elkaar.
Het Duitse gezin dat aan de overkant zat moest er vreselijk om lachen








Deze mensen hebben het hele jaar kerst


Overal bloemen

Overzicht van een deel van de camping.
Hier zit ik altijd mijn blog te schrijven, aan de lange tafels 

Mooie avondlucht ter afsluiting

                                       



vrijdag 26 juni 2026

Dag 20 – donderdag 25 juni: La Roche-de-Rame

Een van de dingen die ons altijd blij maakt in Frankrijk is de nabijheid van een plaatsje. Gewoon een dorpje met een pleintje, een bakker, een slager en, als het even kan, een bar/café die wij tot stamkroeg kunnen bombarderen. In bergdorpjes is dat vaak lastig omdat de ruimte tussen de bergketens nu eenmaal beperkter is. Daar vind je nog wel wat winkels, maar meest langs de al dan niet drukke weg. En om nou met je grand café crème in de hand in de uitlaatgassen van de vrachtwagens te zitten is ook niet zo aantrekkelijk. Hier, in de omgeving van de camping, hadden we nog niets ontdekt wat voldeed aan die vakantiewens.

Vanmorgen reden we als eerste naar het Bureau du Tourisme, vlakbij, in het plaatsje Argentìere-la-Bessée. We waren al verbaasd dat we daarvoor van de hoofdweg af moesten slaan, maar het klopte. En tot onze verbazing, of beter gezegd verrassing, ontvouwde zich voor onze ogen precies dat wat we hier gemist hadden. Een pleintje, een bar annex café met terras op datzelfde pleintje. Een boucherie/charcuterie. Een bakker, een biologische winkel met van alles en nog wat. Het toeristenbureau was overigens ook hier dicht, net als dat in Briançon laatst. Excuses op de deur, morgen zijn we weer open. Maar ach, wat maakte het uit: we dronken een grote kop koffie op het terras, kochten een stokbrood bij de bakker (en vooruit, twee citroen-meringuetaartjes, omdat we toevallig 47 jaar getrouwd waren, daar zoals gewoonlijk aan herinnerd door onze schoonzus 😊) en van die heerlijke gekookte ham bij de slager om op dat stokbrood te doen voor de lunch.

De stokbroodsandwich met ham en rijkelijk roomboter smaakte zoals verwacht voortreffelijk. Die kwaliteit ham kun je bij ons echt nergens krijgen, in elk geval niet in Groningen. Daarna smulden we van de citroenmeringue en nestelden we ons in een stoel met een boek. Ons oorspronkelijke plan om vandaag met een skilift naar boven te gaan om te wandelen hadden we laten varen, dat kwam nog wel.

Poes kwam ook nog even kijken. Er is hier namelijk een campingkat, of eigenlijk zijn er drie, maar deze ene lichtgekleurde lap komt regelmatig een aaitje over de kop halen. Intussen is ze dan uiterst alert met haar staart aan het zwaaien, want we vermoeden dat ze haar eigen kostje bij elkaar moet jagen. En je zult maar een muisje missen.

Er is hier geen zwembad op het terrein. Mogelijk is het daarom zo rustig. Maar vlakbij, op 3 km afstand, is een plan d’eau waar je prima terecht kunt. Er is een camping naast trouwens, maar daar zal het wel een stuk drukker zijn. Ook loopt de provinciale weg erlangs, hoewel we niet denken dat je daar veel last van hebt als je lekker onder de bomen in het gras ligt. Het ziet er mooi en goed onderhouden uit.

Wat er ook niet is hier op de camping: wc-papier en zeep om je handen te wassen. We lopen dus maar steeds met de rol én een zelf aangeschaft zeeppompje naar de wc’s. Dat hebben ze wél goed gedaan; vlakbij ons staat een minigebouwtje met drie wc’s en aan de buitenkant een wastafel. Ook hebben we een kraan naast de tent. Douches en washokjes en meer wc’s zijn dan weer te vinden in een van de twee grotere sanitairblokken. Op de meeste terreinen zijn zowel zeep als papier wel normaal tegenwoordig, maar hier redden we ons ook prima.

De temperaturen schommelen overdag steeds zo rond de dertig graden. ’s Nachts koelt het af naar 14 of 15 waardoor we uitstekend slapen en de ochtenden ook vrij lang koel zijn. Dat is wel andere koek in de rest van dit land. Om over Nederland maar niet te spreken. Ik herinner me van jaren geleden dat het een paar dagen de 40 graden aantikte, dat was niet bepaald lekker. Met de ventilator op de hoogste stand speelden we klaverjas met onze vrienden terwijl we intussen verwoede pogingen deden die kaarten niet door de lucht te laten vliegen. Diezelfde vrienden zitten nu in ons huis, maar vanwege de vooruitzichten met extreme hitte voor dit weekend zijn ze toch even teruggegaan naar hun eigen omgeving.

’s Avonds hadden we niet veel trek, een stukje geitenkaas voldeed bij het glaasje Provençaalse rosé. Maar we verheugden ons al op morgen, wanneer we na een uitstapje bij onze nieuwbenoemde stamkroeg op het terras zouden neerstrijken.




Thuis bij de tent opgegeten, verrukkelijk!



donderdag 25 juni 2026

Dag 19 – 24 juni: La Roche-de-Rame

Leuk, het is markt in Briançon! Een mooie aanleiding die stad te bezoeken. Hij hoort tot een van de hoogst gelegen steden van Europa volgens Wikipedia, en dan gaan we er maar vanuit dat het klopt. Deze informatieve website is tenslotte ook de enige die je mag gebruiken als je meespeelt in 2 voor 12.

Onderweg maakten we een stop om een stalen sculptuur van zo’n 6 meter hoog op de foto te zetten. We konden het eerst niet goed thuisbrengen. Was het een jager? Iemand met een lasso? Het bleek een eerbetoon te zijn aan Mr.Edward Whymper, die als eerste bergbeklimmer ooit de Barre des Écrins beklom, in 1864. Een piek van maar liefst 4.102 meter hoog en daarmee de hoogste berg van het hele Massif des Écrins.

Om een uur of  11 reden we de parkeergarage binnen, aangeprezen als dé plek voor je auto als je naar de markt of het stadscentrum wilde. We hebben nog nooit zo’n verschrikkelijk naargeestige garage meegemaakt. Pikdonker allemaal. Het licht, dat automatisch aan zou moeten springen als je er binnen rijdt, deed het niet goed. Daarnaast waren de plaatsen ook niet bepaald ruim te noemen. Uiteindelijk lukte het ons toch een fatsoenlijke plek te vinden, en konden we op verkenning gaan. We kwamen eruit in een soort haveloos parkje, waar in de verste verte niets deed denken aan een markt of iets van een stadscentrum. Uiteindelijk vroegen we het maar aan iemand die daar rondliep, en die wees ons snel de weg. Nu hadden we heus niet de illusie dat we iets zouden aantreffen dat ook maar in de verste verte leek op de grandioze warenmarkt in Uzés, maar dit was wel het andere uiterste. Wat een troosteloze boel zeg. Er was ook een deel overdekt, in een soort fabriekshal, maar al met al waren we er gauw klaar mee. Op het enige terrasje kreeg ik iets dat het midden hield tussen hoestdrank en motorolie, een alternatieve cola. Mijn gewrichten kunnen heus wel wat smeerolie gebruiken, maar dit ging toch vrijwel in zijn geheel retour.

Dit alles speelde zich af in de benedenstad. Bij het Bureau du Tourisme wilden we wat meer info over hoe we boven konden komen. Lopen in de hitte was een absolute no-go. Helaas was het kantoor gesloten, in verband met de markt. Je verzint het niet. We vroegen het dus maar weer even aan een willekeurig persoon, en die kwam niet veel verder dan ‘naar boven lopen’. Ok, laat maar. De spelonken van de parkeergarage dus maar weer in, wat bevestigde dat het ook bepaald geen vrouwvriendelijk exemplaar was. Op de tast je auto zoeken, succes.

Wat nu? We besloten richting La Grave te gaan. Daar waren we vorig jaar terechtgekomen in de stromende regen, en we wisten dat de weg ernaartoe landschappelijk gezien de erg moeite waard was. Behalve dat het toen heel hard regende waren we er ook in een heel ander seizoen, namelijk eind augustus. Dat maakte een groot verschil in de vegetatie zagen we nu. Een en al bloemen langs de weg! Wat een feest. Iets na enen kwamen we aan in het dorpje, lunchtijd. Bij het hotel wat we al kenden van een jaar geleden aten we allebei een andere regionale specialiteit: Bert een soort spätzle, ik een tartiflette (aardappelschotel met heel veel Reblochon, uit de oven). Allebei vergezeld van een forse hoeveelheid rauwe ham. De temperatuur buiten was een graad of 23, was dat getal omgekeerd geweest hadden we het bij een salade gehouden. Het is tenslotte winterkost. Maar het smaakte uitstekend.

De bergen waren intussen deels in nevelen gehuld. Hier en daar voegden witte wolken zich tot een staalmeesterskraag om de toppen. Tussen deze imponerende bergketens door, hier en daar gelardeerd met een tunnel (waarvan één geheel niet verlicht was), karden we terug naar de lappen katoen die op dit moment ons huis vormen.  Een tent, groot of klein, het is natuurlijk niks. En toch, zodra je alles uit de zak hebt gehaald en opgezet wordt het je thuis. Rits dicht, en het is ‘just me, myself and I’. Wonderlijk hoe dat werkt.

Bij thuiskomst wachtte ons een verrassing. De buren, die eerst zo zwijgzaam waren, voorzagen ons van verse tomaatjes uit hun moestuin. Even later kwam madame (voor het thuisfront: sprekend Olga) met een bordje waarop een vers geitenkaasje lag. Daar houdt u toch zo van, meneer? Bert had zich daar gisteren inderdaad lovend over uitgelaten. Ik ook, maar dat telde niet. Nou ja, we mochten het natuurlijk wel samen opeten.

We zitten hier nog steeds op een formidabel mooie plek. Maar Briançon? Dat kan ons gestolen worden.

 










 

woensdag 24 juni 2026

Dag 18 – dinsdag 23 juni: La Roche-de-Rame

Code rood: extreme weerssituatie. 39 – 45 °C overdag, 24 – 28 °C ’s nachts, dus bijna geen afkoeling.
Code oranje: echte hittegolf. Meestal 35 – 40 °C, minstens 3 dagen én 3 nachten. ’s Nachts 20 – 24 °C. Je kunt er goed last van hebben.
Code geel: vaak 32 – 36 °C overdag, soms maar 1 – 2 dagen, of wel heet overdag maar redelijke nachten.

Aldus de verklaring van de Franse overheid m.b.t. de weercodes.

Goed, wij zitten dus in code geel en vooralsnog is dat heel goed te doen. Niet in de laatste plaats omdat we ons programma erop aanpassen. We vertrekken ’s morgens niet al te vroeg, het blijf hier zeker tot een uur of twaalf onder de 25 graden. Daarna een road trip (ik bedoel natuurlijk een tochtje met de auto, maar dat klinkt zo suf) in de airco. Eind van de middag weer terug, en dan is het hier alweer aangenaam.

Vandaag reden we naar een gebied in het Parc des Écrins. Dat hadden we niet helemaal zelf bedacht, het kwam van onze buurman (die gewoon een vriendelijke behulpzame man bleek). Toen hij ons op de kaart zag kijken kwam hij direct met ideeën voor mooie routes. En deze sprak ons wel aan. Dus zetten we koers naar het plaatsje Névache, iets ten noordwesten van Briançon. De man had geen ongelijk. Het was een rustige weg, dwars door de bergen. Bij Névache kon je nog een klein weggetje in dat we helemaal uitreden tot we niet verder konden. Onderweg stapten we natuurlijk waar het maar kon even uit om de omgeving in ons op te nemen die niet te hachelen was, en dan het tegenovergestelde (ik kan geen superlatieven meer bedenken). Bij elkaar deden we er zo’n anderhalf uur over. Het fijne van deze oorden is dat er altijd wel een berghut is, en ook deze keer klopte dat. We kregen een plekje aan een van de picknicktafels en Bert vroeg naar een donker biertje. Ze hadden dat wel, maar alleen een grote fles. Ach, ok, doe maar. Toen er een fles van 75cl op tafel kwam schrokken we toch een beetje. Dat was wel erg veel, want ik nam er geen slok van. Ik hou gewoon niet van bier. Maar we zouden wel zien. We deelden wederom een omelet, deze keer rijkelijk gevuld met de plaatselijk Tomme, een regionale kaas van rauwe koemelk. Het valt me voor de zoveelste keer op dat vegetariërs slecht bediend worden in Frankrijk, maar als veganist is het helemaal haast niet te doen. Hoe dan ook, de omelet was verrukkelijk. Zacht en smaakvol. De bijgeleverde salade ging ook schoon op, behalve dan de garnering van geraspte rode kool. Als toetje deelden we een fromage blanc aux myrtilles. Vrij vertaald zou dat kwark zijn, maar het is echt een ander product hier. We moesten vechten om het laatste hapje. En dat alles in die schitterende omgeving waar we maar geen genoeg van kregen. Wandelaars, bepakt met kleine en grote rugzakken kwamen af en aan, het kriebelde wel hoor.


Op een goed moment wilde ik naar de wc, die niet binnen maar buiten was. Deur nummer 3, zei het meisje aan wie ik het vroeg. Het was een ecologisch toilet, met zaagsel om alles wat erin viel af te dekken. We kenden het wel, het werkt uitstekend en je ruikt helemaal niets. Maar voor sommigen zal het wat vreemd overkomen. 

Zoekplaatje: waar is deur nummer 3?


Bij het afrekenen vroegen we om een kurk, de helft van het bier was nog over. Dat was jammer, want dat was een geweldig product van een plaatselijke brouwerij. O ja hoor, ze hadden wel een kurk. Mooi! Na een tijdje ging ik maar eens vragen, want er kwam geen kurk. Bleken de twee serveersters niet alleen de bediening te doen, maar ook de rol van kok op zich genomen hadden. Het liep ze over de schoenen, en ja, dan schiet zo’n kurk er bij in. Maar niet getreurd, een van de twee grabbelde in wat afvalbakken en toverde een gebruikte wijnfleskurk tevoorschijn. Opgelost! Nou, niet helemaal, want hij paste niet. Er ging nog een prullenbak ondersteboven, en nog een, niks. Een mes is ook goed, zei ik (je bent Montessori-kind of je bent het niet). Ze keek een beetje verbaasd, maar ik kreeg een scherp mes en sneed er keurig een wél passende dop van. Zo, die fles kon rekenen op een fatsoenlijke behandeling in de koelbox straks.
                                                                   

                                                             


We moesten dezelfde weg terug, en ook deze keer lukte het om zonder de zijspiegels van tegenliggers in de prak te rijden de grotere, beter begaanbare weg te bereiken. Een minuut of tien later riep ik opeens ‘Stop! We keren!’ Ik zag een aankondiging van Fromage de chèvre, te koop vlakbij de weg. Zo geroepen, zo gedaan, en we kwamen inderdaad bij een Fromagerie. Het zag er gesloten uit maar was volgens de informatie vanaf 14u open. Het was 15.30. We liepen er dus toch maar naar toe, en uit de krochten van een veranda kwam een dame tevoorschijn, puffend van het zweet. Ja hoor, ze waren open. Eenmaal binnen bleek het een ruime, goed gesorteerde winkel te zijn, met niet alleen vele soorten geitenkaas (die geiten hadden we op de heenweg al wel zien lopen, we vroegen ons al af wat ze ermee deden: dit dus. Melken en kaas maken) maar ook honing van eigen imkerij en allerlei hebbedingetjes zoals gehaakte eierwarmers. We zochten vier verschillende kaasjes uit, namen er van enkele twee, en omdat we toch bezig waren rekenden we ook een grote pot honing af van Tilleul (Linde) . Onze dag was al een succes, maar nu kon hij helemaal niet meer stuk. Het was namelijk het enige wat nog ontbrak aan ons God-in-Frankrijk-gevoel: verse geitenkaas. En dan komt het zomaar op je pad. Bij de tent, waar het aangenaam toeven was, was een van diezelfde kaasjes geen lang leven beschoren. Voor wie het niet wist: goede rosé en geitenkaas gaan verrassend goed samen.


Een punt waar je kunt afspreken voor een lift