Update

Er is een update geplaatst: dag 29, 4 juli, ontbrak. Is nu alsnog toegevoegd

dinsdag 30 juni 2026

Dag 25 – dinsdag 30 juni: La Roche-de-Rame – Villes sur Lauzon (Drôme)

We begonnen toch wat genoeg te krijgen van onze buurman. Elke keer als hij langs onze tent moest keek hij eens goed wat we aan het eten/doen/lezen waren. Hij bleef even staan, alsof hij wat wilde zeggen, aarzelde en liep drie passen verder. Om dan weer terug te lopen, aanstalten makend in gesprek te gaan, en daarna schielijk door te lopen. Op de hoek bedacht hij zich dan, en kwam nog even terug om een opmerking te maken. Die wij nooit verstonden. Soms tikte hij even op een van onze boeken die op tafel lagen, zo van ‘nou nou, dik boek zeg’ (het boek over de zijderoute). Of hij liep terug naar de caravan om de stapel kaarten uit de serie Carte Bleu te laten zien. Hij bedoelde het niet slecht hoor, maar we waren nu toch wel blij dat we vandaag gingen vertrekken.

Op een uurtje of drie rijden hadden we een Chambre d’Hôtes gereserveerd, La Sarrassin. Een gewoon doorsnee hotel was niet voorhanden, en dit zag er wel ok uit. We vertrokken uiteindelijk pas om half twee, nadat we eerst ons gewone ochtendprogramma hadden gevolgd en de periode hier afgesloten met een bak koffie op het terras van onze stamkroeg.

De tocht naar Villes -s-Lauzon was, na de eerste zestig saaie kilometers, een schoolvoorbeeld van wat ons zo aantrekt in Frankrijk. Het landschap wisselde in rap tempo van grote gebieden met kilometers aan fruitteelt, indrukkwekkende kloven als Gorges de Méouges naar eindeloze lavendelvelden, dan bosgebied en daarna de mooie heuvelachtige omgeving rond Sault. Met als klapper de Mont Ventoux. Want daar vlakbij lag ons onderkomen.

We hadden afgesproken er rond 17u te zijn, en precies om 17.08 reden we het plaatsje binnen. Het was intussen zeker 35 graden, als het niet meer was. Op het pleintje bij de kerk zagen we een lavendelblauw geschilderd pand met wat tafeltjes en stoeltjes buiten, dat het midden hield tussen een brocante en een terras van een café. Dat moest het zijn. We konden de auto ertegenover kwijt, en liepen ernaar toe. Uit een hoekje dook een dame op, sigaret in de ene hand en telefoon in de andere, die ons hartelijk verwelkomde. Ze had buiten op ons zitten wachten omdat een zekere Monique, die het eigenlijk beheerde afwezig was. Onze kamer was een paar straatjes, aan de achterkant van het pand. Het was een ontzettend oud gebouw, met stenen trappen en afgesleten treden. Indrukwekkend. Drie van die trappen moesten we op. Het pand behoorde met nog drie andere in de gemeente tot de oudste van de stad.

Onze kamer was aangenaam koel, niet door de dikke muren maar door de airco. Bij constante temperaturen dik boven de 36 graden is dat haast levensreddend. Alles was mediterraan blauw geschilderd, en de kast die los in de kamer stond was ‘oud’ gemaakt door slechts hier en daar een plukje verf achter te laten. Nepantiek, zeg maar. Twee wankele tafeltjes naast het bed maar met goede lampjes erop, ook blauw, completeerden het geheel. Alle vloeren in het pand waren nog voorzien van de kenmerkende oude rode plavuizen, dat was echt prachtig en ook heerlijk koel aan je voeten. Het sanitair niet alleen gloednieuw zo te zien, maar ook blinkend schoon. Extra lange bedden, goede matrassen, niets te klagen. We vroegen waar we wat konden eten, wat er open was vandaag, en de dame kwam meteen met een voorstel: aan de overkant van het plein. Ze bood aan te reserveren, leek ons prima.

Na een late siësta vervoegden we ons bij Bistro Canaille, we hadden wel trek. Het was nog steeds erg warm. Maar daar malen ze hier niet zo om, dus kregen we een tafeltje buiten (niemand zat binnen, daar was het nog warmer). Een fles met anderhalve liter koud water werd vlot voor ons neergezet. De menukaart was niet uitgebreid, enkele salades en enkele vlees/visgerechten. Hoe minder gerechten op de kaart, hoe beter hoorde ik ooit van een collega die lang in de horeca had gewerkt. We namen de faux filet met frites en salade, lekker traditioneel. Niet te veel, precies goed. Naast ons zat een groot mannengezelschap, zeer variërend in leeftijd en nationaliteit. Ik vroeg me af wat dat voor groep zou zijn, en Bert wist het meteen: wielrenners, voor de Mont Ventoux. Ach, natuurlijk. De berg der bergen in Frankrijk.

Aldus gevoed en lichtelijk beneveld, niet door de rosé maar door de hitte, liepen we terug naar de kamer. Tenminste, dat probeerden we. Zoveel straatjes die op elkaar lijken….Een mevrouw zag ons zoeken en vroeg ‘Zoeken jullie La Sarrassin? Ik heb al zoveel mensen de weg moeten wijzen!’ Ja, klopt, dank u wel. Omgeven door het koesterende blauw en het zacht zoemende geluid van de goed ingestelde airco dommelden we weg. Morgenochtend in elk geval geen buurman aan het ontbijt.





Uitzicht uit ons raam


maandag 29 juni 2026

Dag 24 – maandag 29 juni: La Roche-de-Rame

Vandaag ging het dan eindelijk gebeuren: met de lift omhoog de bergen in. We waren goed voorbereid, de rugzak was gevuld met flessen water en zonnebrandcrème. Onze fleecevesten konden er ook nog bij; zo konden we het wel een tijdje uithouden op 2400 m. Inmiddels kenden we de weg op ons duimpje, voor alle haarspeldbochten draaiden we onze hand niet meer om. Eenmaal boven aangekomen viel me iets op: de liften hingen stil aan hun kabels, ze gingen niet omhoog. Het zou toch niet…Jawel dus. Hoewel het zomerseizoen het weekend was geopend, waren de liften pas vanaf 4 juli dagelijks in bedrijf. Het kan verkeren.

Wat nu? We hadden alles in de omgeving nu wel verkend. Dan maar doorrijden naar Italië, naar het mondaine skioord Sestrière. De naam was ons bekend, maar we waren er nog nooit geweest en het leek een mooie tocht door de bergen. Dat klopte ook, het was een feest om daar te rijden. We stuitten op een klein, lieflijk dorpje Cesana geheten. Daar hebben we eerst wat rondgelopen, en toen wat gedronken bij een ontzettend leuk, klein tentje met uiterst vriendelijke bediening. Sestrière zelf was zoals verwacht, en dan nog erger. Wat een vreselijk oord. De architecten hadden zich in de strijd gegooid en bouwden nóg hoger, nóg lelijker, nóg patseriger. Nu, in de zinderende hitte van de zomer, was het er rustig. We zagen het een tijdje aan en reden toen dezelfde weg weer terug. Dat is vaak zo in de bergen, een rondje rijden zit er niet in. Er is eenvoudig geen doorgaande weg.

Terug op de camping wilden we eerst afrekenen. Guy, die Yves bleek te heten, liep met ons mee naar de kleine receptie waar nooit iemand zat. Hij haalde een klein kluisje onder de toonbank vandaan, daarin zat het pinapparaat alsmede een briefje met de pincode die hij nodig had om het apparaat gebruiksklaar te maken. De optelsom was gauw gemaakt, we hadden er 12 nachten gestaan. Hij toetste het bedrag in, en we haalden de pinpas erdoor heen. Niks. Alles opnieuw: aanmelden met code, bedrag intoetsen, ga je gang. Niks. Dit herhaalde zich tot drie keer toe. Met mijn pinpas dan? Ook niks. Dan maar contant. Dat konden we nog net redden, we hadden voor Duitsland en Slovenië gezorgd voor wat extra cash. Gelukkig werkte deze ouderwetse betaalmethode meteen prima. Nooit teveel op digitale communicatie vertrouwen blijkt maar weer. Het betere handwerk is soms onovertroffen.

Nu wachtte ons een volgende taak. De overzetzonnebrillen, die standaard in onze auto liggen, moesten opgestuurd naar Nederland. Een dag of wat geleden had onze schoonzoon gevraagd wat voor merk zonnebril Bert had. Nou, simpel, dat heeft hij niet. Die brillen hebben we namelijk in Amerika in de supermarkt gekocht en meegenomen naar huis, maar we gebruiken ze nooit. Of hij ze misschien mee mocht met vakantie? Ja, natuurlijk. Alleen zouden zij al weg zijn als wij terugkwamen. Dan maar de postduiven ingeschakeld. Dat was ook een film zeg. We moesten naar een dorpje een minuut of 20 verderop, daar zou La Poste open zijn. Hing er een briefje op de deur: dinsdagmiddag gesloten. Tuurlijk. Maar, bij nadere inspectie bleek dat om de Mairie te gaan, het gemeentehuis dus. La Poste was open, op de bovenste verdieping. Daar stond een dame die wat ouderwets oogde, maar misschien kwam dat ook doordat het kantoor meer de uitstraling had van een verstoft magazijn in de jaren dertig dan van een modern postkantoor. Een computer zagen we niet, wel heel veel papieren in stapeltjes. Laten we nu net zo’n papier nodig blijken te hebben. Ons pakje bestond uit een papieren zak van de Lidl waar we een halve rol Tesa-tape omheen hadden gedraaid. Het werd gewogen, 274 gram. Mooi. Vult u nu alstublieft even met de hand het hele formulier in? Ja hoor. In mijn redelijk onleesbare handschrift probeerde ik in de piepkleine vakjes alle gevraagde gegevens in te vullen. Ik begon al met ons huisadres in Nederland, maar dat kon natuurlijk niet. Opnieuw dus, met het adres van de camping. De dame-uit-de-vorige-eeuw was zo vriendelijk dat even op haar smartphone op te zoeken, dat kon dan weer wél digitaal. Uiteindelijk werd het papier, met dus in mijn krakkemikkige handschrift het adres in Nederland, op de Tesa-tape geplakt. Dat bleef natuurlijk niet goed zitten, dus plakte de dame de randen met gewoon plakband nog wat steviger vast. Wat ook niet goed p(l)akte. Even afrekenen graag: €15. Stuur je een brievenbuspakje, is dat nog veel duurder. Rare jongens, die Fransen. Of het ooit aankomt? De tijd zal het leren. Of het óp tijd is? Dat is nu de grote vraag.

Sculptuur bij Montgenèvre

Bloemen, altijd en overal bloemen












De kaasmakerij die we tussendoor nog bezochten
(en plunderden) in Guillestre









Dag 23 – zondag 28 juni: La Roche-de-Rame

Onze buurman, die volgens Bert 100 jaar oud is, is een kaartenfanaat. Dat wil zeggen, hij is gek van wandelkaarten. Al de eerste dag dat wij hier stonden kwam hij aan met een kaart uit de Serie Bleu, onbetwist de beste wandelkaarten van het IGN (Istitute Geographique National), waarop hij ons o.a. de wandelroute in Montgenèvre aanwees. Ook kwam hij direct met een boekwerk over de restanten van de loopgraven in WO II, waarin hij ons liet zien waar we die konden vinden als we met de lift naar boven zouden gaan. Hoewel we hem zeer slecht verstonden, hij spreekt nogal binnensmonds, knikten we vol belangstelling. Bert vroeg of hij beroepsmatig zo geïnteresseerd was, maar hij was elektrotechnisch ingenieur geweest dus het was pure hobby. Elke volgende dag kwam hij opnieuw met zijn verzameling wandelkaarten onder de arm en het boek opengeslagen op dezelfde bladzij. Als ik liet vallen dat er ergens een bergmeer was ging hij onmiddellijk op zoek naar een meertje waar wij heen zouden kunnen lopen. Terwijl dat helemaal niet onze bedoeling was. Als hij zag dat we zelf een routekaart op tafel hadden kwam hij er meteen bij om te vragen of we het wel konden vinden. En dan vertelde hij weer over die loopgraven. Zijn vrouw, we denken ongeveer 40 jaar jonger (dit is een familiegrap), laat hem maar een beetje begaan. Maar hoe dan ook, ze maken wel elke dag stevige bergwandelingen en kennen de omgeving op hun duimpje.

Wij weten hier zo langzamerhand ook de weg wel te vinden. Na elf dagen hebben de meeste routes geen geheimen meer voor ons. Vandaag, zondag, zochten we eigenlijk alleen maar iets uit om in de airco te kunnen zitten, want het was snoeiheet en bovendien erg vochtig. Niet lekker. We besloten maar weer een bekende bergpas te rijden, en dan iets verder dan we eerder gedaan hadden. Alles om koel te blijven nietwaar? Eerst deden we nog een paar boodschappen bij de Intermarché, waar we voor de zoveelste keer getuige waren van de knulligheid bij de kassa. Er werden cheques uitgeschreven (wat is dat ook weer??); iets klopte niet en de manager moest erbij komen, helaas bleek die al te zijn vertrokken; iemand wist zijn pincode niet meer en zocht in al zijn zakken naar contant geld. Gaf niks, we hebben vakantie en dus tijd genoeg, nietwaar? Nou ja, misschien werden we er een kléin beetje iebel van. Of misschien ook wel ietsje meer. Of heel veel meer.

We gooiden de tank nog even vol. We tanken hier SP 98 – E5, beter voor onze motor. In Nederland is het prijsverschil tussen E10 en E5 ongeveer 40ct, hier maximaal 5ct. Dat scheelt nogal.

Hoewel we de route al eerder gereden hadden was het toch weer de moeite waard. Ander licht, ander tijdstip, dat maakt veel uit. Bij het plaatsje Vars zagen we een aardig terras, een goede plek om te lunchen. Een auberge met een kleine kaart. Salades, een burger, iets met kalfsvlees, dat was het wel. In die hitte heb je al haast geen trek, dus namen we allebei een salade met (vegetariërs: met ogen dicht nu even een paar regels naar beneden scrollen!) kippenhartjes, confit de canard, roquefort, walnoten, croûtons met knoflook en nog zo wat andere ingrediënten. We overwogen nog even te delen, maar ach, een salade moet je wel alleen opkunnen, toch? We schrokken ons een hoedje toen de borden gebracht werden. Allemachtig. Wat je noemt een goed gevulde salade. Genoeg voor een heel dorp. Manmoedig begonnen we het beetje bij beetje weg te werken. Toegegeven, het was heerlijk. Maar zóveel…Uiteindelijk zijn we een heel eind gekomen, helemaal op ging het echter niet. Hierna hadden we eigenlijk helemaal geen zin meer om nog verder te rijden. Gewoon maar terug leek ons een beter plan. We probeerden nog een onverharde binnenweg, maar voorzagen problemen als vastlopen in alle troep die met het smeltwater mee van de bergen was gekomen. Toch maar weer de gewone route genomen dus.

Intussen hadden we de beslissing genomen hier overmorgen weg te gaan. De temperaturen zijn zich in Frankrijk aardig aan het herstellen, en we zijn echt toe aan iets nieuws. Het doel is deze keer de Drôme, dat is hier maar een paar uurtjes vandaan. We zijn er vaker geweest maar hebben nu weer een andere plek uitgezocht. Omdat we een beetje meer rekening proberen te houden met de hitte in combinatie met onze leeftijd – ja ja – nemen we de eerste nacht een hotel. Dat geeft ons de ruimte eerst te ontbijten en dan in alle rust de tent af te breken. Als alles weer in de auto zitten kachelen we rustig aan zuidwaarts. Dan een nachtje bijkomen in een kamer met airco, en de dag erop naar de camping rijden om alles weer op ons gemak op te zetten. We leren het wel.

De salade. Hij ziet er hier best
bescheiden uit, maar het bord had een doorsnee van zeker 35 cm

Ze hadden een leuk peper-en-zoutstel gemaakt,
van hele kleine jampotjes


zondag 28 juni 2026

Dag 22 – zaterdag 27 juni: La Roche-de-Rame

Kennen jullie madame Carle? Nee? Nou, wij hebben haar ontmoet vandaag.

De enige vallei die we nog niet verkend hadden hier in de buurt, was die naar Vallouise. Alle andere, zowel door de Queyras als door de Écrins, hadden we nu wel gehad. Deze ontbrak nog, en daar gingen we nu verandering in brengen. Het was een flinke klim, al met al. Gelukkig deed de auto het meeste werk voor ons, we moesten er niet aan denken zelf in deze temperaturen de wandelschoenen aan te trekken. Het eerste stuk vonden we niet heel bijzonder. Vallouise zelf is in de winter een grote trekpleister voor alles wat zich op de lange latten voortbeweegt, maar deed ook nu nog een flinke duit in het zakje als het om wandelaars en klimmers ging. Overal kon je klimmaterialen kopen, complete wandeluitrustingen aanschaffen of gewoon een vergeten tube zonnecrème afrekenen.

Dat waren we allemaal niet van plan, dus reden we door. Tot we opeens een heel groot beeld zagen van een dame op een paard, geheel geconstrueerd uit gekleurde plaatjes hout. Mme Carle, stond erbij. Nu hadden we op de kaart al gezien dat het eindpunt van deze trip ‘le Pré du Mme Carle’ heette, dus werden we wel nieuwsgierig. Onderweg werd het mooier en mooier. In het plaatsje Ailefroide zagen we een camping die ons erg deed denken aan de campgrounds in de Nationale Parken in Amerika. Overal in het bos, ook aan de andere kant van de weg, stonden tentjes, veel kleine en enkele grotere. Af en toe ook een verdwaalde caravan of camper, maar die waren hier ruimschoots in de minderheid. Het oogde allemaal heel ontspannen en gezellig. Als je van pittige wandelingen houdt ben je hier beslist op de goede plek!

Hoe verder we omhoog reden, hoe slechter de weg werd. Er was afgelopen voorjaar heel veel smeltwater naar beneden gekomen en dat had nogal wat rotzooi meegesleurd. Af en toe was er zelfs een stuk weg weggeslagen. Maar stapvoets rijdend kwamen we er goed doorheen. En langzamerhand ontvouwde zich voor onze ogen een berggebied, zo indrukwekkend mooi. Wat voel je je als mens dan nietig. Natuurlijk stapten we regelmatig uit om het in ons op te nemen en wat foto’s te maken. Aan het eind, toen we niet verder konden, waren we aangeland bij de Pré van Mme Carle. En het was echt een grote groene grasvlakte, met hier en daar wat bomen. Overal zaten mensen te picknicken of bij te komen van de zojuist gepleegde inspanningen. Want het waren voornamelijk klimmers (m/v), met grote bundels touwen om hun schouder en hun gordels vol met andere klimmaterialen. Het vormde een bijzonder contrast met de bergen om ons heen. Zo majestueus, zo grimmig, en dan dat lieflijke tafereel in de weide. We keken onze ogen uit, kregen er geen genoeg van. Op een goed moment begonnen we echter wat trek te krijgen, dus daalden we weer af naar de bewoonde wereld.

Bij een bakkertje zochten we twee sandwiches uit, hier bestaande uit een half stokbrood met iets ertussen. De dame achter de toonbank had duidelijk haar dag niet, heel verontwaardigd beet ze me toe ‘ik versta u niet’. Ok, doen we het nog een keer. Met een gezicht als een oorwurm pakte ze onze bestelling in. Buiten zochten we een plekje in de schaduw. De blikjes drinken waren zonder bekertje geleverd, die ging ik dus nog even halen. Hoewel, laat het even maar weg. Voor mij was een meneer aan de beurt die taarten in soorten en maten aan het bestellen was. Het duurde eindeloos en ik kwam er niet tussen. Toen ik dacht dat hij eindelijk klaar was bedacht hij zich, en moesten er nóg zeven gebakjes bij. Hij moest €70 aftikken. Maar dan heb je hier ook wel wat, heel wat anders dan in Nederland waar je nauwelijks meer banketbakkers hebt. Goed, ik zag mijn kans schoon en vroeg m’n bekertjes. ‘Je had wel even tussendoor gemogen hoor’, zei de meneer. Ja, vast.

De sandwiches waren eigenlijk niet te eten. Het brood was zo keihard dat je tanden al afbraken als je ernaar keek. We haalden dus de bovenkant er maar af en aten alleen de onderste helft. Dat ging beter.

Op de weg terug maakten we een ommetje over de Puy St Vincent, maar na al die geweldenaren van bergen stelde dat niet meer zoveel voor. Daarna kochten we nog iets om de pastasaus mee aan te vullen, wisselden de gaspot om (hier €30, in NL €40) en reden naar de tent.

Het was nog steeds warm. De cooling towels die we ooit in Amerika hadden gekocht deden goede dienst. Het is een soort zeem die je kletsnat maakt en om je nek en schouders legt. Het vocht trekt niet in je kleren maar door de verdamping houdt het je urenlang koel. In Nederland worden ze o.a. bij het Kruidvat verkocht, ik denk als seizoensartikel. Vroeger gebruikten we een handdoek die we nat maakten, werkte ook maar dit vinden we veel fijner.

We kookten ons maaltje, en terwijl ik nog even naar de wc ging goot Bert de spaghetti af. Met het deksel schuin op de pan, zoals hij altijd doet. Helaas belandde de pasta in de sloot en Bert vloog erachteraan😄Ach, gewoon nieuwe gemaakt en toen maar het vergiet gebruikt in plaats van de deksel.

Nu is natuurlijk de grote vraag wie die Mme Carle eigenlijk was. Nou, het is een mythe, maar het verhaal gaat dat haar jaloerse echtgenoot haar in de 16e eeuw op de nu gelijknamige wei heeft achtergelaten. Waarna niemand ooit meer van haar gehoord heeft. Behalve wij dan, en nu jullie ook.



Mme Carle


Een andere madame


















De wei waarin de edele dame aan haar lot werd overgelaten.




Dit is de trouwjurk van Mme Carle. Vinden jullie niet?

Dag 21 – vrijdag 26 juni: Le Verger

Jaren geleden, tijdens een training, leerde ik dat je altijd vrij bent je mening te herzien. Dus vandaag ja zeggen tegen iets, kan morgen nee zijn. Is helemaal prima. No for now. Datzelfde geldt voor iets afkeuren, of opeens ergens heel anders tegenaan kijken. Ik heb het altijd onthouden, en dat is denk ik meteen het énige wat ik van al die bijeenkomsten meegekregen heb. Het waren zo vaak tenenkrommende studiedagen, waarbij dure krachten werden ingehuurd om ons, doorgewinterde onderwijsexperts, te vertellen hoe het moest. Iedereen dacht onder het doen van futiele spelletjes – ga allemaal op een rij staan in volgorde van leeftijd – aan alle werkzaamheden die hierdoor bleven liggen. Maar, zoals je zo blij kunt zijn als je vele jaren later van een leerling terughoort wat je voor hem of haar betekent hebt, zo is het ook mooi als je in elk geval íets van al die studiedagen als mantra hebt opgeslagen.

Vanmorgen was het een grote uittocht. Alle Engelse kajakkers vertrokken, hun week hier zat erop. Die van ons nog niet, sterker nog, we staan hier inmiddels al 8 dagen. Dat is meestal wel het maximum op één plek. Deze keer konden we niet anders dan ons laten leiden (of, beter misschien, lijden 😉) door de hoge temperaturen elders nog in Frankrijk. Hier is het nog steeds goed toeven, niet in de laatste plaats door de koele nachten.

Goed, we gingen op weg naar Montgenèvre, naar de téléferique oftewel de skilift. Via Briançon en een weg met vele haarspeldbochten, geflankeerd door wederom schitterende bergen, bereikten we het skigebied. We zagen een vierzitter-stoeltjeslift, en een gondelbaan. Maar, ze hingen stil. Dat was gek, ons was verzekerd dat we naar boven konden. Nader onderzoek leerde dat we een dag te vroeg waren, het zomerseizoen begon pas morgen. Wat nu? We bleven even staan kijken naar iemand die alle gerafelde vlaggen aan het vervangen was. Vooral de Europese vlag had te lijden gehad van de winterse omstandigheden. Was dit een metafoor voor wat ons te wachten stond? Gelukkig hing een paar minuten later een stralend nieuw exemplaar te wapperen in de tropische wind.

Na het fiasco met Briançon liepen we niet over van enthousiasme om die stad nog eens te bezoeken. Maar ik wilde toch uitzoeken hoe je nu binnen de vestingmuren kon komen. In plaats van een informatiepunt te bezoeken gebruikten we onze smartphone, en het bleek verrassend eenvoudig. Dus zetten we opnieuw koers naar deze stad. Onderaan de vesting was een grote parkeerplaats, die weliswaar praktisch stampvol was maar precies voor ons nog één plekje had vrijgelaten. Vermoedelijk omdat het vrij smal was, en niemand het risico wilde nemen, maar achteruitrijden is net als schrijven een soort van hobby voor me en onder de goedkeurende blikken van een stel motorrijders kon ik hem er nét tussen persen. Check.

Een paar dagen geleden zaten we helemaal onderaan in de stad, nu net aan de andere kant en dat was dus de goede. We liepen zo de poort door, waar mensen in middeleeuwse kledij ons verwelkomden. Het bleek een feestweekend te zijn, met allemaal activiteiten. Je kon er een kostuum kopen voor €60, of huren voor het weekend voor €20. Even over nagedacht maar toch maar niet gedaan.😄Het was beslist de moeite waard. Andere oude vestingsteden zijn vaak zo compleet overgenomen door het economische toerisme, daarvan was hier geen sprake. Leuke winkeltjes, een beetje horeca, overal verklede mensen en objecten uit de middeleeuwen. Er stonden twee schandpalen, een formaat kind en een formaat volwassene. Een guillotine. Een galg. Echt een gezellige boel. Je moest wel ontzettend goed uitkijken waar je je voeten neerzette, want van enige egalisatie van de straatjes was geen sprake. Maar we kwamen heelhuids bij de rand, alwaar we enige tijd een tafeltje van Café Panorama bezet hielden. Zo rustig, mooi uitzicht, vlotte bediening. Na het afrekenen moesten we terug de straat in, en opeens zag ik het bord wat ik eerder gemist had: crêpes. Daar hadden we heel veel zin in, dus zochten we een ander tafeltje om een nieuwe bestelling te plaatsen. Het meisje dat ons eerder bediend had was blij verrast en heette ons, in haar mooiste middeleeuwse jurk, opnieuw en met een stralende glimlach welkom. De crêpes werden door de kokkin aan tafel gebracht en smaakten verrukkelijk. Nu konden we er wel weer even tegen. We dwaalden verder door de oude stad, namen er ook nog een ijsje achteraan en verbaasden ons over de vriendelijkheid van de mensen. We zagen ook eigenlijk alleen maar Fransen, op een enkel Duits stel na dat met hun allerschattigste kinderen een ijsje zat te eten op een stoepje. Al met al brachten we er zo’n kleine twee uur door. Daarna reden we terug naar onze stamkroeg in Argentière, waar we de tijd even moesten stukslaan tot de winkels weer opengingen. We haalden merquez en tartare de tomates bij de slager, haricots verts bij de ecologische winkel. ’s Avonds deden we een experiment met de boontjes. Op dat suffe marktje in Briançon, een paar dagen geleden, zagen we iemand in enorme pannen-a-la-paella haricots verts bakken met heul veul knoflook erdoor. Dat leek ons heerlijk. Nu waren onze boontjes iets meer van het type sperzieboon dus iets te dik, maar het smaakte goed. Voor de zekerheid hadden we ook nog een baguette gekocht, om in de jus te dippen, maar dat was veel te veel. Dus hadden de kippen op de camping geluk. Alles wat je over hebt aan eten mag je in een grote ton gooien, en dan geven zij het weer aan de kippen. Bewaren is hier namelijk niet echt een optie. Kippen blij, wij blij.

Ik kom nog even terug op wat ik in het begin schreef. In het blog van woensdag schreef ik dat Briançon ons gestolen kon worden. In het kader van 'no for now' kan ik nu volmondig zeggen: wat een leuke stad. Beslist de moeite waard!




Zie de foto hieronder

Goed kijken, we maakten een foto van elkaar.
Het Duitse gezin dat aan de overkant zat moest er vreselijk om lachen








Deze mensen hebben het hele jaar kerst


Overal bloemen

Overzicht van een deel van de camping.
Hier zit ik altijd mijn blog te schrijven, aan de lange tafels 

Mooie avondlucht ter afsluiting

                                       



vrijdag 26 juni 2026

Dag 20 – donderdag 25 juni: La Roche-de-Rame

Een van de dingen die ons altijd blij maakt in Frankrijk is de nabijheid van een plaatsje. Gewoon een dorpje met een pleintje, een bakker, een slager en, als het even kan, een bar/café die wij tot stamkroeg kunnen bombarderen. In bergdorpjes is dat vaak lastig omdat de ruimte tussen de bergketens nu eenmaal beperkter is. Daar vind je nog wel wat winkels, maar meest langs de al dan niet drukke weg. En om nou met je grand café crème in de hand in de uitlaatgassen van de vrachtwagens te zitten is ook niet zo aantrekkelijk. Hier, in de omgeving van de camping, hadden we nog niets ontdekt wat voldeed aan die vakantiewens.

Vanmorgen reden we als eerste naar het Bureau du Tourisme, vlakbij, in het plaatsje Argentìere-la-Bessée. We waren al verbaasd dat we daarvoor van de hoofdweg af moesten slaan, maar het klopte. En tot onze verbazing, of beter gezegd verrassing, ontvouwde zich voor onze ogen precies dat wat we hier gemist hadden. Een pleintje, een bar annex café met terras op datzelfde pleintje. Een boucherie/charcuterie. Een bakker, een biologische winkel met van alles en nog wat. Het toeristenbureau was overigens ook hier dicht, net als dat in Briançon laatst. Excuses op de deur, morgen zijn we weer open. Maar ach, wat maakte het uit: we dronken een grote kop koffie op het terras, kochten een stokbrood bij de bakker (en vooruit, twee citroen-meringuetaartjes, omdat we toevallig 47 jaar getrouwd waren, daar zoals gewoonlijk aan herinnerd door onze schoonzus 😊) en van die heerlijke gekookte ham bij de slager om op dat stokbrood te doen voor de lunch.

De stokbroodsandwich met ham en rijkelijk roomboter smaakte zoals verwacht voortreffelijk. Die kwaliteit ham kun je bij ons echt nergens krijgen, in elk geval niet in Groningen. Daarna smulden we van de citroenmeringue en nestelden we ons in een stoel met een boek. Ons oorspronkelijke plan om vandaag met een skilift naar boven te gaan om te wandelen hadden we laten varen, dat kwam nog wel.

Poes kwam ook nog even kijken. Er is hier namelijk een campingkat, of eigenlijk zijn er drie, maar deze ene lichtgekleurde lap komt regelmatig een aaitje over de kop halen. Intussen is ze dan uiterst alert met haar staart aan het zwaaien, want we vermoeden dat ze haar eigen kostje bij elkaar moet jagen. En je zult maar een muisje missen.

Er is hier geen zwembad op het terrein. Mogelijk is het daarom zo rustig. Maar vlakbij, op 3 km afstand, is een plan d’eau waar je prima terecht kunt. Er is een camping naast trouwens, maar daar zal het wel een stuk drukker zijn. Ook loopt de provinciale weg erlangs, hoewel we niet denken dat je daar veel last van hebt als je lekker onder de bomen in het gras ligt. Het ziet er mooi en goed onderhouden uit.

Wat er ook niet is hier op de camping: wc-papier en zeep om je handen te wassen. We lopen dus maar steeds met de rol én een zelf aangeschaft zeeppompje naar de wc’s. Dat hebben ze wél goed gedaan; vlakbij ons staat een minigebouwtje met drie wc’s en aan de buitenkant een wastafel. Ook hebben we een kraan naast de tent. Douches en washokjes en meer wc’s zijn dan weer te vinden in een van de twee grotere sanitairblokken. Op de meeste terreinen zijn zowel zeep als papier wel normaal tegenwoordig, maar hier redden we ons ook prima.

De temperaturen schommelen overdag steeds zo rond de dertig graden. ’s Nachts koelt het af naar 14 of 15 waardoor we uitstekend slapen en de ochtenden ook vrij lang koel zijn. Dat is wel andere koek in de rest van dit land. Om over Nederland maar niet te spreken. Ik herinner me van jaren geleden dat het een paar dagen de 40 graden aantikte, dat was niet bepaald lekker. Met de ventilator op de hoogste stand speelden we klaverjas met onze vrienden terwijl we intussen verwoede pogingen deden die kaarten niet door de lucht te laten vliegen. Diezelfde vrienden zitten nu in ons huis, maar vanwege de vooruitzichten met extreme hitte voor dit weekend zijn ze toch even teruggegaan naar hun eigen omgeving.

’s Avonds hadden we niet veel trek, een stukje geitenkaas voldeed bij het glaasje Provençaalse rosé. Maar we verheugden ons al op morgen, wanneer we na een uitstapje bij onze nieuwbenoemde stamkroeg op het terras zouden neerstrijken.




Thuis bij de tent opgegeten, verrukkelijk!