Update

Er is een update geplaatst: dag 29, 4 juli, ontbrak. Is nu alsnog toegevoegd

donderdag 25 juni 2026

Dag 19 – woensdag 24 juni: La Roche-de-Rame

Leuk, het is markt in Briançon! Een mooie aanleiding die stad te bezoeken. Hij hoort tot een van de hoogst gelegen steden van Europa volgens Wikipedia, en dan gaan we er maar vanuit dat het klopt. Deze informatieve website is tenslotte ook de enige die je mag gebruiken als je meespeelt in 2 voor 12.

Onderweg maakten we een stop om een stalen sculptuur van zo’n 6 meter hoog op de foto te zetten. We konden het eerst niet goed thuisbrengen. Was het een jager? Iemand met een lasso? Het bleek een eerbetoon te zijn aan Mr.Edward Whymper, die als eerste bergbeklimmer ooit de Barre des Écrins beklom, in 1864. Een piek van maar liefst 4.102 meter hoog en daarmee de hoogste berg van het hele Massif des Écrins.

Om een uur of  11 reden we de parkeergarage binnen, aangeprezen als dé plek voor je auto als je naar de markt of het stadscentrum wilde. We hebben nog nooit zo’n verschrikkelijk naargeestige garage meegemaakt. Pikdonker allemaal. Het licht, dat automatisch aan zou moeten springen als je er binnen rijdt, deed het niet goed. Daarnaast waren de plaatsen ook niet bepaald ruim te noemen. Uiteindelijk lukte het ons toch een fatsoenlijke plek te vinden, en konden we op verkenning gaan. We kwamen eruit in een soort haveloos parkje, waar in de verste verte niets deed denken aan een markt of iets van een stadscentrum. Uiteindelijk vroegen we het maar aan iemand die daar rondliep, en die wees ons snel de weg. Nu hadden we heus niet de illusie dat we iets zouden aantreffen dat ook maar in de verste verte leek op de grandioze warenmarkt in Uzés, maar dit was wel het andere uiterste. Wat een troosteloze boel zeg. Er was ook een deel overdekt, in een soort fabriekshal, maar al met al waren we er gauw klaar mee. Op het enige terrasje kreeg ik iets dat het midden hield tussen hoestdrank en motorolie, een alternatieve cola. Mijn gewrichten kunnen heus wel wat smeerolie gebruiken, maar dit ging toch vrijwel in zijn geheel retour.

Dit alles speelde zich af in de benedenstad. Bij het Bureau du Tourisme wilden we wat meer info over hoe we boven konden komen. Lopen in de hitte was een absolute no-go. Helaas was het kantoor gesloten, in verband met de markt. Je verzint het niet. We vroegen het dus maar weer even aan een willekeurig persoon, en die kwam niet veel verder dan ‘naar boven lopen’. Ok, laat maar. De spelonken van de parkeergarage dus maar weer in, wat bevestigde dat het ook bepaald geen vrouwvriendelijk exemplaar was. Op de tast je auto zoeken, succes.

Wat nu? We besloten richting La Grave te gaan. Daar waren we vorig jaar terechtgekomen in de stromende regen, en we wisten dat de weg ernaartoe landschappelijk gezien erg de moeite waard was. Behalve dat het toen heel hard regende waren we er ook in een heel ander seizoen, namelijk eind augustus. Dat maakte een groot verschil in de vegetatie zagen we nu. Een en al bloemen langs de weg! Wat een feest. Iets na enen kwamen we aan in het dorpje, lunchtijd. Bij het hotel wat we al kenden van een jaar geleden aten we allebei een andere regionale specialiteit: Bert een soort spätzle, ik een tartiflette (aardappelschotel met heel veel Reblochon, uit de oven). Allebei vergezeld van een forse hoeveelheid rauwe ham. De temperatuur buiten was een graad of 23, was dat getal omgekeerd geweest hadden we het bij een salade gehouden. Het is tenslotte winterkost. Maar het smaakte uitstekend.

De bergen waren intussen deels in nevelen gehuld. Hier en daar voegden witte wolken zich tot een staalmeesterskraag om de toppen. Tussen deze imponerende bergketens door, hier en daar gelardeerd met een tunnel (waarvan één geheel niet verlicht was), karden we terug naar de lappen katoen die op dit moment ons huis vormen.  Een tent, groot of klein, het is natuurlijk niks. En toch, zodra je alles uit de zak hebt gehaald en opgezet wordt het je thuis. Rits dicht, en het is ‘just me, myself and I’. Wonderlijk hoe dat werkt.

Bij thuiskomst wachtte ons een verrassing. De buren, die eerst zo zwijgzaam waren, voorzagen ons van verse tomaatjes uit hun moestuin. Even later kwam madame (voor het thuisfront: sprekend Olga) met een bordje waarop een vers geitenkaasje lag. Daar houdt u toch zo van, meneer? Bert had zich daar gisteren inderdaad lovend over uitgelaten. Ik ook, maar dat telde niet. Nou ja, we mochten het natuurlijk wel samen opeten.

We zitten hier nog steeds op een formidabel mooie plek. Maar Briançon? Dat kan ons gestolen worden.

 










 

woensdag 24 juni 2026

Dag 18 – dinsdag 23 juni: La Roche-de-Rame

Code rood: extreme weerssituatie. 39 – 45 °C overdag, 24 – 28 °C ’s nachts, dus bijna geen afkoeling.
Code oranje: echte hittegolf. Meestal 35 – 40 °C, minstens 3 dagen én 3 nachten. ’s Nachts 20 – 24 °C. Je kunt er goed last van hebben.
Code geel: vaak 32 – 36 °C overdag, soms maar 1 – 2 dagen, of wel heet overdag maar redelijke nachten.

Aldus de verklaring van de Franse overheid m.b.t. de weercodes.

Goed, wij zitten dus in code geel en vooralsnog is dat heel goed te doen. Niet in de laatste plaats omdat we ons programma erop aanpassen. We vertrekken ’s morgens niet al te vroeg, het blijft hier zeker tot een uur of twaalf onder de 25 graden. Daarna een road trip (ik bedoel natuurlijk een tochtje met de auto, maar dat klinkt zo suf) in de airco. Eind van de middag weer terug, en dan is het hier alweer aangenaam.

Vandaag reden we naar een gebied in het Parc des Écrins. Dat hadden we niet helemaal zelf bedacht, het kwam van onze buurman (die gewoon een vriendelijke behulpzame man bleek). Toen hij ons op de kaart zag kijken kwam hij direct met ideeën voor mooie routes. En deze sprak ons wel aan. Dus zetten we koers naar het plaatsje Névache, iets ten noordwesten van Briançon. De man had geen ongelijk. Het was een rustige weg, dwars door de bergen. Bij Névache kon je nog een klein weggetje in dat we helemaal uitreden tot we niet verder konden. Onderweg stapten we natuurlijk waar het maar kon even uit om de omgeving in ons op te nemen die niet te hachelen was, en dan het tegenovergestelde (ik kan geen superlatieven meer bedenken). Bij elkaar deden we er zo’n anderhalf uur over. Het fijne van deze oorden is dat er altijd wel een berghut is, en ook deze keer klopte dat. We kregen een plekje aan een van de picknicktafels en Bert vroeg naar een donker biertje. Ze hadden dat wel, maar alleen een grote fles. Ach, ok, doe maar. Toen er een fles van 75cl op tafel kwam schrokken we toch een beetje. Dat was wel erg veel, want ik nam er geen slok van. Ik hou gewoon niet van bier. Maar we zouden wel zien. We deelden wederom een omelet, deze keer rijkelijk gevuld met de plaatselijk Tomme, een regionale kaas van rauwe koemelk. Het valt me voor de zoveelste keer op dat vegetariërs slecht bediend worden in Frankrijk, maar als veganist is het helemaal haast niet te doen. Hoe dan ook, de omelet was verrukkelijk. Zacht en smaakvol. De bijgeleverde salade ging ook schoon op, behalve dan de garnering van geraspte rode kool. Als toetje deelden we een fromage blanc aux myrtilles. Vrij vertaald zou dat kwark zijn, maar het is echt een ander product hier. We moesten vechten om het laatste hapje. En dat alles in die schitterende omgeving waar we maar geen genoeg van kregen. Wandelaars, bepakt met kleine en grote rugzakken kwamen af en aan, het kriebelde wel hoor.


Op een goed moment wilde ik naar de wc, die niet binnen maar buiten was. Deur nummer 3, zei het meisje aan wie ik het vroeg. Het was een ecologisch toilet, met zaagsel om alles wat erin viel af te dekken. We kenden het wel, het werkt uitstekend en je ruikt helemaal niets. Maar voor sommigen zal het wat vreemd overkomen. 

Zoekplaatje: waar is deur nummer 3?


Bij het afrekenen vroegen we om een kurk, de helft van het bier was nog over. Dat was jammer, want dat was een geweldig product van een plaatselijke brouwerij. O ja hoor, ze hadden wel een kurk. Mooi! Na een tijdje ging ik maar eens vragen, want er kwam geen kurk. Bleken de twee serveersters niet alleen de bediening te doen, maar ook de rol van kok op zich genomen hadden. Het liep ze over de schoenen, en ja, dan schiet zo’n kurk er bij in. Maar niet getreurd, een van de twee grabbelde in wat afvalbakken en toverde een gebruikte wijnfleskurk tevoorschijn. Opgelost! Nou, niet helemaal, want hij paste niet. Er ging nog een prullenbak ondersteboven, en nog een, niks. Een mes is ook goed, zei ik (je bent Montessori-kind of je bent het niet). Ze keek een beetje verbaasd, maar ik kreeg een scherp mes en sneed er keurig een wél passende dop van. Zo, die fles kon rekenen op een fatsoenlijke behandeling in de koelbox straks.
                                                                   

                                                             


We moesten dezelfde weg terug, en ook deze keer lukte het om zonder de zijspiegels van tegenliggers in de prak te rijden de grotere, beter begaanbare weg te bereiken. Een minuut of tien later riep ik opeens ‘Stop! We keren!’ Ik zag een aankondiging van Fromage de chèvre, te koop vlakbij de weg. Zo geroepen, zo gedaan, en we kwamen inderdaad bij een Fromagerie. Het zag er gesloten uit maar was volgens de informatie vanaf 14u open. Het was 15.30. We liepen er dus toch maar naar toe, en uit de krochten van een veranda kwam een dame tevoorschijn, puffend van het zweet. Ja hoor, ze waren open. Eenmaal binnen bleek het een ruime, goed gesorteerde winkel te zijn, met niet alleen vele soorten geitenkaas (die geiten hadden we op de heenweg al wel zien lopen, we vroegen ons al af wat ze ermee deden: dit dus. Melken en kaas maken) maar ook honing van eigen imkerij en allerlei hebbedingetjes zoals gehaakte eierwarmers. We zochten vier verschillende kaasjes uit, namen er van enkele twee, en omdat we toch bezig waren rekenden we ook een grote pot honing af van Tilleul (Linde) . Onze dag was al een succes, maar nu kon hij helemaal niet meer stuk. Het was namelijk het enige wat nog ontbrak aan ons God-in-Frankrijk-gevoel: verse geitenkaas. En dan komt het zomaar op je pad. Bij de tent, waar het aangenaam toeven was, was een van diezelfde kaasjes geen lang leven beschoren. Voor wie het niet wist: goede rosé en geitenkaas gaan verrassend goed samen.


Een punt waar je kunt afspreken voor een lift







dinsdag 23 juni 2026

Dag 17 – maandag 22 juni: Roche-de-Rame

Lang geleden kampeerden we in Italië, in de Marken om precies te zijn. Een mooie, ruime camping met op loopafstand een kasteeltje waar je goddelijk kon eten in de paradijselijke tuin. Dat deze camping geteisterd werd door een niet-aflatende stroom van motoren, vlak langs de tenten, ach. De beheerster vertelde dat ze al talloze pogingen had ondernomen om er iets aan te doen, maar dat het niet hielp, dus had zij zich er maar bij neergelegd dat dit het nieuwe Italiaanse TT-circuit was geworden. We stonden er verder prima, en namen het geluid van aanstormende motoren voor lief. Schuin tegenover ons stonden bijzonder aardige Nederlanders, met een grote De Waard-tent. Gezellig om de dag mee door te nemen onder het genot van een glaasje. We roemden de ruimte, de schaduw, de locatie.
Op een dag kwamen we terug van een uitstapje, om tot onze schrik te zien dat een ander stel landgenoten hun tent precies tegen die van ons aan had gezet. De scheerlijnen kruisten elkaar. Ok, als er nu geen plek was geweest, maar die was er in overvloed. Uiteindelijk zijn we twee dagen later vertrokken. We hadden geen zin meer in hun gesnurk. Dit is precies de reden waarom we hier zo fijn staan, zoveel ruimte dat niemand je in de weg zit.

Vanmorgen voelde ik me stukken beter, en na het eten van een paar toastjes met jam durfde ik het wel aan. We zouden namelijk de andere helft van de Queyras gaan verkennen. Met de auto is dat natuurlijk wel van een andere orde dan met je rugzak de bergen in, maar die periode ligt helaas achter ons. Dus doen we het op vier wielen, en dat bevalt ook prima. Vandaag reden we via de Col de Vars naar Barcelonette. Wederom veel motoren die we af en toe maar net konden ontwijken omdat ze een wheelie deden, maar het ging allemaal net goed. In Barcelonette aten we een hapje, en tot mijn verbazing kon ik dat allemaal aan. Ok, ik nam alleen een voorgerecht, maar ’s morgens had ik daar nog niet aan moeten denken. 

Hierna zetten we koers naar Embrun, via het uitgestrekte Lac de Serre-Ponçon dat maar van geen ophouden weet als je erlangs rijdt. Ik heb daar een nogal letterlijk pijnlijke herinnering liggen. Toen ik een jaar of 8 was kampeerde ik met mijn ouders aan de rand van dat meer. Op een goed moment bedacht ik dat ik ook wel eens wilde zonnebaden, zoals ik andere mensen zag doen. Mijn ouders letten nooit erg op mij, dus toog ik met mijn handdoekje naar de rand van het water. Ik gaf me over aan de warme zon en wentelde me van mijn buik op mijn rug en omgekeerd. Van zonnebrand had ík in elk geval nog nooit gehoord, en ik vraag me af of het in die tijd al wel bekend was. In elk geval was ik niet ingesmeerd, en toen mijn moeder poolshoogte kwam nemen schrok ze zich dood. Ik leek meer op een gekookte kreeft dan op haar dochter. De dagen erop had ik ontzettend veel pijn, de vellen hingen erbij. Daarna ben ik nooit van mijn leven meer zo erg verbrand, maar zoals blijkt heeft het diepe indruk gemaakt.

Onderweg passeerden we nog de 'Demoiselles Coiffees', een bijzondere rotsformatie gevormd door erosie. In o.a. Amerika heb je talloze van dergelijke formaties, maar hier komen ze veel minder voor. Het wordt dan ook breed uitgemeten en met toeters en bellen aangekondigd zoals ze dat zo goed kunnen in Frankrijk. Deze dames van steen, met een kapsel van hetzelfde materiaal dat hier en daar zelfs aangevuld is met spontane beplanting, staan gewoon langs de kant van de weg. Dat scheelde een flinke klauterpartij in de hitte.


Rond half vijf waren we terug bij de tent. We reden het terrein op en…o schrik! Er stond een caravan, met uitbouw, pal naast ons. Op onze autoplek! We konden er niet eens meer langs. Met heel veel gemanoeuvreer lukte het uiteindelijk de auto naast de tent te krijgen, maar daardoor konden we er zelf niet meer zitten. Gelukkig waren de plaatsen direct achter ons nog vrij, dus gauw daarheen gereden. Opgelost. De man van het stel naast ons is redelijk vriendelijk, de vrouw keurt ons daarentegen geen blik waardig. Terwijl ze continu langs onze tent moet om water te halen. Een andere buurman plukte juist een grote kom kersen voor ons, we staan hier tenslotte in een boomgaard. Dus genoeg vriendelijkheid om ons heen. Jammer van de naaste buren, maar het neemt niet weg dat we hier nog steeds heel fijn staan. Waar heel Frankrijk zucht onder krankzinnig hoge temperaturen zitten wij buiten bij een graad of 20. Voor de zekerheid hadden we wel de tent dichtgedaan, het ging onwijs hard waaien en er volgde een stevig onweer. Maar de luifel gaf ons genoeg bescherming, en later werd het weer droog.

Tegen de tijd dat het donker werd kwam de buurvrouw nog een keer langslopen, gewapend met haar tandenborstel. Heel vriendelijk zei ze ‘Bonne nuit!’. Met een glimlach erachteraan.








Wij hebben geluk, zitten net in het gele gebied!


Dag 16 – zondag 21 juni: La Roche-de-Rame

Dit wordt een kort verhaal. We hadden al besloten vandaag bij de tent te blijven, lekker luieren en lezen. Meestal doen we het om-en-om, een dagje eropuit en een dagje tent. Maar ook als we dit niet van tevoren zo bedacht hadden waren we ‘thuis’ gebleven. Mijn ingewanden hadden er nachts namelijk helemaal uit zichzelf de brui aan gegeven. Ik zal er verder niet over uitweiden, maar hou het er maar op dat ik blij was dat de wc’s zo vlakbij waren. Het werd dus vooral veel slapen en af en toe een spurtje trekken waardoor ik zeker weten Dafne Schippers bij de volgende kampioenschappen ga inhalen op de korte afstand.

Wat valt er verder nog te vertellen? O ja, in mijn heldere momenten zag ik dat de hond van de buren van de campingbaas een wel erg bijzonder speelkameraadje had. Een kip! Echt waar. Ze renden om elkaar heen en achter elkaar aan, tot kennelijk plezier van beiden. Toch nog iets leuks om mee af te sluiten. Morgen hopelijk weer een gewoon verhaal.

zondag 21 juni 2026

Dag 15 – zaterdag 20 juni: La Roche-de-Rame

En ja hoor, daar was-ie weer. Stipt om 8 uur. De bakker. Wel handig hoor, je hoeft niet van tevoren te bestellen hier. Er staat dan weer tegenover dat je hier bij de camping zelf helemaal niets kunt krijgen, daarvoor moet je echt het dorpje in. Dat is niet echt een leuk Frans dorp met een pleintje, nee, het vouwt zich om de provinciale weg en dat is het dan zo’n beetje.

Wij wilden vandaag de bergen in. Op de door mij al vele malen geprezen papieren wegenkaart van Michelin hadden we een mooie route uitgezocht. Eerst naar Saint-Veran – nee, niet dat van de wijn, dat ligt in de Bourgogne – en dan via een noorderlijker route terug. Hoewel het een wandelgebied bij uitstek is waagden wij ons daar toch niet aan. Al zeker niet in deze hitte, het was nog steeds 30+. Het was een schitterende tocht. Via Guillestre en de Combe de Qeyras naar Saint Veran. Onderweg stapten we o.a. even uit bij het Chateau Queras. Je kon er wel naar boven, met grote schreeuwende letters riep het kasteel ‘Ik ben open, kom mij bezoeken!’, maar dat deden we maar niet. Saint Veran, en de weg ernaartoe, bleek voornamelijk voor de wintergasten in stand gehouden. Een en al skipiste. Nu was er hoegenaamd niets te beleven. Wel stopten we nog even bij een heel bijzonder kerkhofje. De graven waren allemaal voorzien van (kunst)bloemen, maar ook zagen we heel veel gevuld met wilde bloemen. Prachtig. We reden terug naar Molines-en-Queyras, om vandaaruit eerst over  de Casse Déserte en daarna de Col D’Izoard richting Briançon te rijden. In Molines aten we een hapje, we deelden een omelet au fromage met salade en uitstekend knapperig gebakken frietjes. Zo konden we er weer even tegen. Het was ronduit schitterend, deze tocht. Helaas vonden minstens 3000 motorrijders dat ook, en het was een hele kunst ervoor te zorgen dat we ons niet van de weg lieten rijden. Maar ook dat lukte, en uiteindelijk reden we via Briançon weer terug naar de camping. We stopten nog even bij de Lidl voor wat vergeten boodschappen en dat was dat.

’s Avonds was het een vrolijke boel bij de kajakkers. Ze zaten aan lange tafels en hun gelach werkte aanstekelijk. En net als gisteren was het om tien uur weer doodstil.

Wat een rust. Wat een uitzicht. Wat een plek.

v















Dag 14 – vrijdag 19 juni: la Roche-de-Rame

Tuut! Tuut! Tuuuuuut! Het was acht uur ‘s morgens, en de bakker had er duidelijk plezier in iedereen wakker te toeteren. Iedereen? Ja, iedereen behalve Bert. Die sliep overal doorheen. Maar ik stond al in de startblokken en voegde me in de rij die al snel ontstaan was. Gewapend met verse croissantjes en pains chocolat liep ik terug naar de tent. Zoals altijd deed de geur van koffie wonderen, (hoewel, dat is niet helemaal waar, ik riep gewoon dat er koffie was) en even later zaten we op deze nieuwe prachtplek aan het ontbijt.

Rondom bergen, wat een plaatje. En daar mag jij dan vanuit je tent naar kijken. Beter is er toch niet? We deden vandaag niet veel. Een beetje lezen, ik had een paar blogs bij te werken en we zochten een wat grotere supermarkt om ons avondeten bij elkaar te zoeken. Er was een Intermarché op 10 minuten rijden. Het lijkt wel alsof de tijd wat achterloopt in die winkels. Het gaat traag, de caissières moeten eindeloos opnieuw wegen en komen dan nog tot de conclusie dat er iets niet klopt. Ze knopen ook rustig een gesprekje aan met de klant: ‘hoe gaat het met je moeder/vader/kinderen? Heb je het al gehoord van’, en dan volgt er een roddelverhaal. De mensen in de rij worden wat ongedurig, maar nemen het ook voor lief. Het hoort er gewoon bij.

De camping zelf is heel rustig, ik schreef het al. Gistermiddag kwam daar wat verandering in, er kwam een grote groep Denen en Engelsen, allemaal met kajaks op de auto. Maar hoewel er opeens iets van 15 tenten bijkwamen gaf dat behalve wat gezellige reuring totaal geen overlast. Het terrein is zó groot, en zij stonden allemaal bij elkaar op een lange strook een heel eind achter ons. 

Verder valt er vrij weinig te vertellen. Het was heel warm, maar waar niet? ’s Avonds aten we onze favoriete maaltijd van merguez en haricots verts, aangemaakt met knoflook en crème fraîche. De merguez van de supermarkt waren natuurlijk niet zo lekker als die van de slager, maar die moeten we nog ontdekken hier. We genoten er toch van, het is iets wat we alleen eten als we in Frankrijk kamperen, thuis bijna nooit.

We maakten het niet te laat, morgenochtend moeten we vroeg op: de bakker!

vrijdag 19 juni 2026

Dag 13 – donderdag 18 juni: Rivoli – La-Roche-de-Rame

Puur hypothetisch hoor, maar wat doen jullie als opeens blijkt dat je de tentpennen op het vorige terrein hebt laten liggen? En je luifel?

a. Je gaat terug naar huis

b. Je zet de tent op met de pennen van het kleine tentje dat je ook nog bij je hebt

c. Je belt de vorige camping om te vragen of ze het op willen sturen

d. Anders, namelijk:…..

Antwoorden onderaan dit verhaal.


Dat Italianen niet graag ontbijten, dat weten we. Een espresso en iets van een zoet broodje. Hoge verwachtingen hadden we dan ook niet van het ontbijt. Maar zó erg? Ja, zo erg. Nu maakte het voor ons niet veel uit want wij kunnen heel goed zonder, maar je wilt als je onderweg bent toch op zijn minst wel íets in je maag hebben. Bovendien, het zat bij de prijs in en we blijven Hollanders nietwaar? De koffie was natuurlijk uitstekend. Maar verder? Er lagen wat oude, roze- en groengekleurde koekjes in een kartonnen doos. Waarschijnlijk lagen die er al de hele week. Een paar hardgekookte eieren. Iets van een omelet die wel van rubber leek, onder een stukje aluminiumfolie. Twee mierzoete taarten, een met pruimen en een met, ja, met wat eigenlijk? Iets ondefinieerbaars, beetje geel uitgeslagen, met een berg suiker eroverheen. (Dat ze mierzoet zijn weet ik omdat ik een losliggende kruimel geproefd heb, en daarmee in één keer voor de hele dag genoeg zoetigheid binnen had gekregen.) Op een schaal lagen uitgedroogde stukjes ham, die durfden we niet eens aan te raken. Er lag nog één croissantje, door Bert manmoedig naar binnen gewerkt. Geen brood verder. Wel wat droge toost uit een pakje, die heb ik toen maar genomen met wat smeersel uit een kuipje jam.

Schuin tegenover het hotel lag een benzinestation, en voor €1,85 tankten we vol met E5. Die is, in Nederland veel duurder dan E10 (95) maar ook veel beter voor onze motor. Heel af en toe gooien we dat er dus in, maar hier hadden ze niet eens E10. Daarna zetten we koers naar onze bestemming van vandaag: Camping Le Verger, in la Roche-de-Rame. Ik had thuis het gebied rond de grens ingevoerd in Google Maps, en als je dan in de zoekbalk ‘campings’ intikt wordt alles wat er in dat gebied te vinden is zichtbaar. Deze sprong er voor ons uit. Gerund door een Frans echtpaar, wat we toch echt leuker vinden dan een ik-vertrek-stel.

Het was ongeveer twee uur rijden nog, deels snelweg en deels binnendoor. Dat eerste bleek wel heel minimaal te zijn, de grensovergang naar Briançon was afgesloten. Dat werd omrijden, via een slingerweg dwars door de bergen. En het wás me toch mooi! Het was de extra tijd meer dan waard. Om 11.30 reden we ,Frankrijk binnen, waar we meteen een pitstop maakten bij een boulangerie-patisserie. Wat een genot. Taarten, groot en klein, brood dat van knapperigheid bijna van de plank afsprong en goede koffie. We vulden onze buikjes met een flink stuk flan en een grand crème, oftewel koffie met opgeklopte melk.

Daarna karden we door naar de camping. We konden ons haast niet voorstellen dat het iets zou zijn, we reden namelijk op een drukke weg dwars door de bergen (Parc des Écrins), en dat er dan nog ruimte zou zijn voor een kampeerterrein met 50 plaatsen leek ons onwaarschijnlijk. Hadden we dat even goed mis. Via een klein weggetje kwamen we bij een paradijselijk mooie plek. Het zag er ontzettend goed onderhouden uit. De eigenaar kwam direct naar ons toe. ‘Mag ik je hand’, vroeg hij? Hij bracht ons naar de ingang van wat later bleek hun huis, en ging door met ‘mag ik nu één vinger?’ Met die vinger drukte hij op een bel, en opeens klonk er een vrouwenstem: ‘Hallo! Bonjour’ We konden het eerst niet goed thuisbrengen, maar zagen toen dat ze ons toesprak vanaf het balkon. Op onze vraag of ze plek hadden wees ze met haar armen het hele terrein aan: ‘Zoek maar een plek uit!’ Dat deden we dus. We hadden één eis: schaduw. En daarin was keus te over. Ook als je zon wilde trouwens, naar schatting is slechts een kwart van dit prachtige terrein bezet. We hoorden later van andere Nederlanders dat het overal zo rustig was, en dat was onze ervaring op La Serenissima ook al.

We vonden een hele mooie plek (ik wilde bijna ‘fijne’ schrijven, maar dat woord is zo gedevalueerd tot makelaarstaal: een fijne keuken, een fijne tuin, een fijne weet-ik-wat. Alles even fijn) waar veel diepe schaduw was, maar ook genoeg zon. En een uitzicht…om je vingers bij af te likken. Dus, aan de slag. Het grondzeil uitgelegd, tent erop. Stokken in elkaar. Nu de pennen vast klaarleggen. Pennen?? Waar zijn de pennen???? Alles overhoop gehaald, niets. Niet tussen de autostoelen, niet eronder, niet in de achterbak. Om er even later achter te komen dat ook de luifel kennelijk is achtergebleven. Wel gloeiende g#$%&*@. Ik belde meteen Serenissima, en het fijne (sic) is dat ze je daar echt kennen. Ze gingen dus direct voor ons zoeken maar helaas. Niets. Bert had intussen al de pennen van ons kleine tentje gepakt, dan maar zo en later ergens nieuwe kopen. Zolang het niet ging stormen zou het wel houden. Toch kon ik het niet geloven. Zo stom waren we toch niet? Ik liep nog eens even om de auto heen, keek iets verder dan mijn neus lang was, en daar, bij een boom op een andere plek, daar lag het hele bultje. Die plek hadden we in eerste instantie uitgezocht, maar precies op het moment dat we naar onze huidige aan het kijken waren kwam Guy op zijn trike, om de elektriciteit voor ons aan te sluiten. Hij bleef een tijd staan kletsen, tja, en toen vergaten we dat we al wat spullen eruit hadden gegooid. Hersenverweking bij 35 graden.

Goed, uiteindelijk stond de tent tevreden te zijn op z’n nieuwe plek en konden we de inrichting voltooien. Later deden we nog een paar boodschappen, er bleek op 3 minuten een Carrefour Express te zijn, en in tegenstelling tot wat de naam deed vermoeden was het weliswaar een kleine maar uitstekend gesorteerde winkel. We zochten iets makkelijks uit, morgen gaan we beginnen aan het echte werk.

Guy kwam nog even buurten, die liep ’s avonds alle campinggasten langs voor een praatje (en die grap met die bel haalt hij ook bij iedereen uit. Leuk hoor). Wonderlijk hoe snel je je het Frans weer eigenmaakt, die basis zit er toch goed in gebakken. We sloten de dag af met een glaasje en het zicht op de bergen. Wat een paradijs.

O, en antwoord op de vraag aan het begin: d is goed. Gewoon even goed om je heen kijken. Maar b was ook een reële optie, en c is weliswaar uitgevoerd maar zonder resultaat. Daar heb je dus ook niks aan, aan een meerkeuzevraag. Maar dat wisten wij onderwijsmensen allang.

Uitzicht vanuit de tent