De enige vallei die we nog niet verkend hadden hier in de buurt, was die naar Vallouise. Alle andere, zowel door de Queyras als door de Écrins, hadden we nu wel gehad. Deze ontbrak nog, en daar gingen we nu verandering in brengen. Het was een flinke klim, al met al. Gelukkig deed de auto het meeste werk voor ons, we moesten er niet aan denken zelf in deze temperaturen de wandelschoenen aan te trekken. Het eerste stuk vonden we niet heel bijzonder. Vallouise zelf is in de winter een grote trekpleister voor alles wat zich op de lange latten voortbeweegt, maar deed ook nu nog een flinke duit in het zakje als het om wandelaars en klimmers ging. Overal kon je klimmaterialen kopen, complete wandeluitrustingen aanschaffen of gewoon een vergeten tube zonnecrème afrekenen.
Dat waren we allemaal niet van plan, dus reden we door. Tot we opeens een heel groot beeld zagen van een dame op een paard, geheel geconstrueerd uit gekleurde plaatjes hout. Mme Carle, stond erbij. Nu hadden we op de kaart al gezien dat het eindpunt van deze trip ‘le Pré du Mme Carle’ heette, dus werden we wel nieuwsgierig. Onderweg werd het mooier en mooier. In het plaatsje Ailefroide zagen we een camping die ons erg deed denken aan de campgrounds in de Nationale Parken in Amerika. Overal in het bos, ook aan de andere kant van de weg, stonden tentjes, veel kleine en enkele grotere. Af en toe ook een verdwaalde caravan of camper, maar die waren hier ruimschoots in de minderheid. Het oogde allemaal heel ontspannen en gezellig. Als je van pittige wandelingen houdt ben je hier beslist op de goede plek!
Hoe verder we omhoog reden, hoe slechter de weg werd. Er was afgelopen voorjaar heel veel smeltwater naar beneden gekomen en dat had nogal wat rotzooi meegesleurd. Af en toe was er zelfs een stuk weg weggeslagen. Maar stapvoets rijdend kwamen we er goed doorheen. En langzamerhand ontvouwde zich voor onze ogen een berggebied, zo indrukwekkend mooi. Wat voel je je als mens dan nietig. Natuurlijk stapten we regelmatig uit om het in ons op te nemen en wat foto’s te maken. Aan het eind, toen we niet verder konden, waren we aangeland bij de Pré van Mme Carle. En het was echt een grote groene grasvlakte, met hier en daar wat bomen. Overal zaten mensen te picknicken of bij te komen van de zojuist gepleegde inspanningen. Want het waren voornamelijk klimmers (m/v), met grote bundels touwen om hun schouder en hun gordels vol met andere klimmaterialen. Het vormde een bijzonder contrast met de bergen om ons heen. Zo majestueus, zo grimmig, en dan dat lieflijke tafereel in de weide. We keken onze ogen uit, kregen er geen genoeg van. Op een goed moment begonnen we echter wat trek te krijgen, dus daalden we weer af naar de bewoonde wereld.
Bij een bakkertje zochten we twee sandwiches uit, hier bestaande uit een half stokbrood met iets ertussen. De dame achter de toonbank had duidelijk haar dag niet, heel verontwaardigd beet ze me toe ‘ik versta u niet’. Ok, doen we het nog een keer. Met een gezicht als een oorwurm pakte ze onze bestelling in. Buiten zochten we een plekje in de schaduw. De blikjes drinken waren zonder bekertje geleverd, die ging ik dus nog even halen. Hoewel, laat het even maar weg. Voor mij was een meneer aan de beurt die taarten in soorten en maten aan het bestellen was. Het duurde eindeloos en ik kwam er niet tussen. Toen ik dacht dat hij eindelijk klaar was bedacht hij zich, en moesten er nóg zeven gebakjes bij. Hij moest €70 aftikken. Maar dan heb je hier ook wel wat, heel wat anders dan in Nederland waar je nauwelijks meer banketbakkers hebt. Goed, ik zag mijn kans schoon en vroeg m’n bekertjes. ‘Je had wel even tussendoor gemogen hoor’, zei de meneer. Ja, vast.
De sandwiches waren eigenlijk niet te eten. Het brood was zo keihard dat je tanden al afbraken als je ernaar keek. We haalden dus de bovenkant er maar af en aten alleen de onderste helft. Dat ging beter.
Op de weg terug maakten we een ommetje over de Puy St Vincent, maar na al die geweldenaren van bergen stelde dat niet meer zoveel voor. Daarna kochten we nog iets om de pastasaus mee aan te vullen, wisselden de gaspot om (hier €30, in NL €40) en reden naar de tent.
Het was nog steeds warm. De cooling towels die we ooit in Amerika hadden gekocht deden goede dienst. Het is een soort zeem die je kletsnat maakt en om je nek en schouders legt. Het vocht trekt niet in je kleren maar door de verdamping houdt het je urenlang koel. In Nederland worden ze o.a. bij het Kruidvat verkocht, ik denk als seizoensartikel. Vroeger gebruikte we een handdoek die we nat maakten, werkte ook maar dit vinden we veel fijner.
We kookten ons maaltje, en terwijl ik nog even naar de wc ging goot Bert de spaghetti af. Met het deksel schuin op de pan, zoals hij altijd doet. Helaas belandde de pasta in de sloot en Bert vloog erachteraan😄Ach, gewoon nieuwe gemaakt en toen maar het vergiet gebruikt in plaats van de deksel.
Nu is natuurlijk de grote vraag wie die Mme Carle eigenlijk was. Nou, het is een mythe, maar het verhaal gaat dat haar jaloerse echtgenoot haar in de 16e eeuw op de nu gelijknamige wei heeft achtergelaten. Waarna niemand ooit meer van haar gehoord heeft. Behalve wij dan, en nu jullie ook.
Mme Carle
Een andere madame
De wei waarin de edele dame aan haar lot werd overgelaten.
Dit is de trouwjurk van Mme Carle. Vinden jullie niet?
Prachtige verhalen Saskia en wat een bergen !
BeantwoordenVerwijderenPrachtige foto's
BeantwoordenVerwijderenDank! We doen ons best!
BeantwoordenVerwijderenWat is het daar toch mooi! Wil gelijk weer terug!
BeantwoordenVerwijderenEsther